Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3787

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
BRE 23/10436 en 23/10437
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:45 AwbArt. 27h, derde lid, AWRArt. 28, zevende lid, AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag BPM na taxatiegeschil over Audi Q5 en Q7

Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen naheffingsaanslagen BPM voor twee Audi-voertuigen, waarbij de inspecteur hogere bedragen had vastgesteld dan door belanghebbende opgegeven op basis van taxatierapporten. De rechtbank oordeelt dat voor de Audi Q5 de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en verklaart het beroep ongegrond. Voor de Audi Q7 wordt de naheffingsaanslag verminderd omdat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde lager is dan door de inspecteur gesteld.

De rechtbank behandelt ook het vertrouwensbeginsel, maar concludeert dat belanghebbende geen redelijk vertrouwen kon ontlenen aan het uitblijven van naheffing. De taxatiemethode wordt als passend beoordeeld vanwege meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank verwerpt het verzoek van de inspecteur om aanvullende stukken op te vragen en laat een laat ingediend stuk buiten beschouwing.

Verder wordt een immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaarprocedure. De naheffingsaanslag wordt verminderd tot een totaal van € 10.268, en belanghebbende krijgt proceskosten en griffierecht vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter J.A. den Braber-Riemens op 4 mei 2026.

Uitkomst: Naheffingsaanslag BPM verminderd tot € 10.268 en immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/10436 en 23/10437

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 10.659 aan verschuldigde Bpm. Gelijktijdig met het opleggen van de naheffingsaanslag is € 32 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslagen en de belastingrentebeschikking terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep met zaaknummer 23/10436 ongegrond moet worden verklaard en dat het beroep met zaaknummer 23/10437 gegrond moet worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

Zaaknummer 23/10436
3. Belanghebbende heeft op 7 september 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi Q5 3.0 TFSI SQ5 quattro Pro met [VIN-nummer 1] (auto 1), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 5.079.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 10.317 bedraagt. Hij is daarbij uitgegaan van de forfaitaire afschrijvingstabel omdat deze meest gunstig was. Hij heeft voor auto 1 de naheffing berekend op € 5.238 en de naheffingsaanslag opgelegd. Daarbij is € 16 belastingrente in rekening gebracht.
Zaaknummer 23/10437
3.3.
Belanghebbende heeft op 7 september 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi Q7 4.0 TDI SQ7 quattro Pro met [VIN-nummer 2] (auto 2), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 7.954.
3.4.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.5.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door DRZ. Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 13.670 bedraagt, te verminderen met een extra leeftijdskorting van € 295. Hij heeft voor auto 2 de naheffing berekend op € 5.421 en de naheffingsaanslag opgelegd. Daarbij is eveneens € 16 belastingrente in rekening gebracht.

Overwegingen

Vooraf: Verzoek inspecteur om toepassing artikel 8:45 van Pro de Awb (beide auto’s)
4. De inspecteur heeft belanghebbende voor beide auto’s verzocht om de inkoopfactuur te overleggen. Naar mening van de inspecteur moet de rechtbank bij het niet overleggen van de stukken eveneens erop staan dat deze gegevens worden overgelegd. Volgens de inspecteur is de inkoopfactuur noodzakelijk voor het door de rechtbank te geven oordeel over de onderhavige zaken. De rechtbank vat dit op als een verzoek om toepassing van artikel 8:45 van Pro de Awb.
4.1.
Reden om een artikel 8:45-verzoek te honoreren kan zijn gelegen in de omstandigheid dat de desbetreffende informatie en/of stukken naar het oordeel van de rechtbank onontbeerlijk zijn voor de geschilbeslechting. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om het verzoek te honoreren gelet op de verdeling van de bewijslast. Het ligt op de weg van belanghebbende om de waardevermindering als gevolg van schade aannemelijk te maken. Indien belanghebbende het bewijs dat van hem wordt verlangd niet levert, wordt de door hem bepleite vermindering ook niet gevolgd. Voor zover de inspecteur vindt dat de inkoopfactuur een contra-indicatie zou kunnen opleveren van de door belanghebbende bepleite waarde, ziet de rechtbank daarin geen aanleiding om de inkoopfactuur op te vragen. Ook als belanghebbende een hogere prijs heeft betaald voor de auto, dan nog staat het belanghebbende in dit geval vrij om uit te gaan van een taxatiewaarde aan de hand van de koerslijstwaarde verminderd met een waardevermindering wegens schade.
Inhoudelijk
4.2.
Tussen partijen is in geschil of belanghebbende erop mocht vertrouwen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. Verder is in geschil welke afschrijvingsmethode kan worden toegepast, de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde. Ook is in geschil de hoogte van de waardevermindering wegens schade.
Vertrouwensbeginsel (beide auto’s)
4.3.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, gelet op het tijdsverloop van ruim een jaar tussen de controle bij DRZ en het opleggen van de naheffingsaanslag, de inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat de door belanghebbende aangegeven Bpm juist was en dat daarop niet meer zou worden teruggekomen.
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat de bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden. Gesteld noch gebleken is dat beleid bestaat dat de inspecteur ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw door DRZ de naheffingsaanslag op te leggen.
4.5.
Belanghebbende heeft onvoldoende aangedragen voor de stelling dat zij uit uitlatingen van DRZ of de inspecteur na de schouw heeft mogen afleiden dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. De redenen die belanghebbende heeft genoemd waarom het voor haar van groot belang zou zijn dat er zekerheid bestaat met betrekking tot de vraag of er al dan niet een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, maken dit niet anders. In het geval belanghebbende hierover zekerheid zou willen krijgen, had zij in contact kunnen treden met de inspecteur. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is daarom geen sprake.
Afschrijvingsmethode (beide auto’s)
4.6.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport.
Is sprake van meer dan normale gebruiksschade?
4.7.
De taxateur van belanghebbende heeft voor auto 1 schade geconstateerd voor een bedrag van € 13.151 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 21.500. De hertaxateur van DRZ heeft voor auto 1 ook schade in aanmerking genomen, ter grootte van € 1.544 en daarvan 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht.
4.8.
Voor auto 2 heeft de taxateur van belanghebbende schade geconstateerd ter grootte van € 12.104 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 29.000. De hertaxateur heeft voor auto 2 ook schade in aanmerking genomen, ter grootte van € 2.308 en daarvan 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht.
4.9.
De rechtbank stelt vast dat beide partijen uitgaan van een waardevermindering wegens schade en is daarom van oordeel dat de afschrijving voor beide auto’s in het onderhavige geval kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. In het ontbreken van de inkoopfacturen ziet de rechtbank geen aanleiding om het taxatierapport buiten beschouwing te laten. Wel kunnen gebreken aan het taxatierapport gevolgen hebben voor de bewijskracht daarvan.
Essentiële gebreken (auto 1)
4.10.
De rechtbank stelt voorop dat indien sprake is van essentiële gebreken waardoor met de auto niet kan of mag worden deelgenomen aan het verkeer, geen vermindering van Bpm kan plaatsvinden. Vaststaat dat de auto is goedgekeurd door de RDW en dus deel mag nemen aan het verkeer. Door de RDW is kennelijk na beoordeling vastgesteld dat de auto op essentiële onderdelen voldoet aan de vereisten van de wegenverkeerswetgeving en dat geen sprake is van een essentieel gebrek. Dat betekent dat belanghebbende bij het berekenen van de vermindering Bpm in beginsel gebruik kan maken van een taxatierapport.
Auto 1 (zaaknummer 23/10436)
Handelsinkoopwaarde
4.11.
Beide partijen zijn voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde uitgegaan van de gemiddelde verkoopprijzen van referentievoertuigen (marktonderzoek.)
4.12.
Belanghebbende bepleit primair een handelsinkoopwaarde van € 34.000 zoals door haar taxateur is vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende deze handelsinkoopwaarde niet aannemelijk heeft gemaakt. De taxateur heeft in zijn taxatierapport opgenomen dat “ongeveer 35% van de vraagprijs is afgetrokken”. De taxateur heeft deze handelsmarge niet verder onderbouwd.
4.13.
Subsidiair heeft belanghebbende gewezen op een koerslijst van X-Ray die zij bij haar nader stuk heeft overgelegd. Met betrekking tot de koerslijst van X-Ray heeft de inspecteur gesteld dat deze algemener is dan het marktonderzoek en dat in dit specifieke geval nog heeft te gelden dat niet de juiste koerslijst is overgelegd. Het betreft een auto met een afwijkend vermogen. De onderhavige auto komt niet voor in Nederlandse koerslijsten omdat deze auto niet hier is geleverd. Ook is niet uitgegaan van de kilometerstand op het moment van aangifte. De inspecteur heeft ter zitting gesteld dat de auto zodanig is getuned dat het een ABT-uitvoering is en daardoor een aanzienlijk hogere CO2-uitstoot heeft. Hij heeft ter onderbouwing van zijn stelling verwezen naar een nader stuk dat hij op 9 februari 2026 heeft ingediend, zo heeft hij ter zitting verklaard. Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht dit standpunt tardief te verklaren omdat dit voor haar een nieuw standpunt is en zij geen tijd heeft gehad om hierop adequaat te reageren.
4.14.
De rechtbank heeft na afloop van de zitting vastgesteld dat het nader stuk waarnaar de inspecteur verwijst op 10 februari 2026 om 9:41 uur, dus kort voor de zitting, door de rechtbank is ontvangen. De rechtbank laat het door de inspecteur nader ingediend stuk buiten beschouwing aangezien het stuk binnen de tiendagentermijn is ingediend en belanghebbende hier geen kennis van heeft genomen en hierop ook niet heeft kunnen reageren. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om het onderzoek te heropenen om belanghebbende alsnog in de gelegenheid te stellen om op het stuk te reageren.
4.15.
De ter zitting ingenomen stellingen van de inspecteur met betrekking tot de ABT-uitvoering verklaart de rechtbank niet tardief, omdat de inspecteur reeds in het verweerschrift heeft aangegeven dat sprake is van een verschil in vermogen en de rechtbank de stellingen van de inspecteur heeft opgevat als een nadere toelichting op die stelling.
4.16.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de koerslijst van X-Ray kan worden gebruikt om de handelsinkoopwaarde vast te stellen. De rechtbank ziet voor het overige geen aanleiding waarom de handelsinkoopwaarde zoals deze door DRZ is vastgesteld niet als uitgangspunt zou kunnen worden genomen. De rechtbank gaat daarom uit van een handelsinkoopwaarde van € 57.501 waar de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag vanuit is gegaan. Het beroep op het vertrouwensbeginsel van belanghebbende met betrekking tot de handelsinkoopwaarde hoeft dan geen behandeling meer.
Waardevermindering wegens schade
4.17.
Met betrekking tot de waardevermindering wegens schade overweegt de rechtbank dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een hoger bedrag aan schade dan waar de inspecteur reeds rekening mee heeft gehouden. Al hetgeen de inspecteur voor het overige nog met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer. De rechtbank stelt de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat voor auto 1 vast op € 56.389.
Conclusie auto 1
4.18.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verschuldigde Bpm voor auto 1 niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld en dat toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel meest gunstig is zoals toegepast bij de naheffingsaanslag. Het beroep met zaaknummer 23/10436 moet daarom ongegrond worden verklaard.
Auto 2 (zaaknummer 23/10437)
Handelsinkoopwaarde
4.19.
Belanghebbende bepleit primair een handelsinkoopwaarde van € 40.600 zoals door haar taxateur is vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende deze handelsinkoopwaarde niet aannemelijk heeft gemaakt. De taxateur heeft in zijn taxatierapport opgenomen dat “ongeveer 35% van de vraagprijs is afgetrokken”. De taxateur heeft deze handelsmarge niet verder onderbouwd.
4.20.
Subsidiair beroept belanghebbende zich op de koerslijst Xray zoals deze bij het rapport van hertaxatie is gevoegd. Belanghebbende beroept zich op het vertrouwensbeginsel omdat in de kennisgeving van de naheffingsaanslag is vermeld dat de handelsinkoopwaarde aan de hand van deze koerslijst wordt vastgesteld.
4.21.
Nu de taxatiemethode van toepassing is, is de koerslijst slechts een uitgangspunt. De getaxeerde waarde zal dan van de koerslijstwaarde verschillen vanwege meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van de auto ten opzichte van de gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht. [1]
4.22.
De inspecteur heeft de koerslijst van Xray bestreden en stelt dat de CO2-uitstoot in de koerslijst niet is aangepast. De rechtbank ziet in hetgeen beide partijen hebben aangedragen geen aanleiding om niet van deze koerslijst van Xray uit te gaan. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de koerslijst buiten beschouwing te laten gelet op het verschil in CO2-uitstoot van 9 gr/km tussen de auto en het referentievoertuig, zoals de inspecteur heeft gesteld. Uit interne correspondentie van de Belastingdienst die belanghebbende als nader stuk heeft overgelegd [2] , blijkt immers dat op grond van intern beleid kleinere verschillen in CO2-uitstoot toepassing van de koerslijst niet verhinderen. Voor zover het verschil in CO2-uitstoot komt door een verschil in opties of uitvoering, is aannemelijk dat met deze verschillen voldoende rekening is gehouden in de koerslijst door deze kenmerken aan te vinken en er is niet gebleken dat sprake is van bijzondere kenmerken of eigenschappen die een afwijking van de koerslijst rechtvaardigen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel van belanghebbende hoeft dan geen behandeling meer.
Waardevermindering wegens schade
4.23.
Met betrekking tot de waardevermindering wegens schade overweegt de rechtbank dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een hoger bedrag aan schade dan waar de inspecteur reeds rekening mee heeft gehouden. Al hetgeen de inspecteur voor het overige nog met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer.
4.24.
De rechtbank stelt de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vast op € 54.529 (€ 56.191 - € 1.662).
Historische nieuwprijs
4.25.
De rechtbank leidt uit de stukken af dat beide partijen uitgaan van een netto catalogusprijs van € 105.030. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier niet van uit te gaan. De rechtbank stelt de historische nieuwprijs daarom vast op € 167.963 zoals door belanghebbende in haar beroepschrift bepleit en verwijst hiervoor naar hetgeen de Hoge Raad heeft bepaald in zijn arrest van 22 december 2023. [3]
4.26.
Voor zover de inspecteur zich nader op het standpunt stelt dat als de historische nieuwprijs van de auto hoger is dan die van de referentieauto dit er tevens toe leidt dat de handelsinkoopwaarde van de auto hoger is, volgt de rechtbank deze stelling niet.
4.27.
De rechtbank vindt voor de stelling dat het afschrijvingspercentage gelijk moet zijn aan die van de referentieauto ook geen aanknopingspunten in het onder 4.23 vermelde arrest van de Hoge Raad, zoals de inspecteur heeft gesteld. De rechtbank leidt uit rechtsoverwegingen 3.2.3 en 3.4. van het arrest van de Hoge Raad juist het tegendeel af, te weten dat het afschrijvingspercentage niet per definitie gelijk blijft. Het uitgangspunt is dat de werkelijke waardedaling voldoende wordt benaderd. De rechtbank ziet daarom in de stelling van de inspecteur geen aanleiding om het hiervoor gegeven oordeel met betrekking tot de handelsinkoopwaarde (in beschadigde staat) te wijzigen.
Conclusie auto 2
4.28.
Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 167.963, een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 54.529 en een bruto Bpm van € 40.877, stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast op € 13.270, te verminderen met een extra leeftijdskorting van € 286. Belanghebbende heeft op aangifte reeds een bedrag van € 7.954 voldaan zodat de naheffingsaanslag met betrekking tot auto 2 moet worden verlaagd naar € 5.030. Het beroep met zaaknummer 23/10437 moet daarom gegrond worden verklaard.
Immateriële schadevergoeding
4.29.
Belanghebbende heeft in haar beroepschrift van 24 oktober 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.30.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 30 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 4 mei 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 18 maanden overschreden. De rechtbank merkt de zaken 23/10436 en 23/10437 aan als samenhangende zaken Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van eenmaal € 1.500.
4.31.
Omdat de bezwaarfase afgerond 11 maanden heeft geduurd en daarmee 5 maanden te lang, komt € 417 (5/18e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.083) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep in zaaknummer 23/10436 is ongegrond en het beroep met zaaknummer 23/10437 is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. De naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 10.268 (€ 5.238 met betrekking tot auto 1 en € 5.030 met betrekking tot auto 2). Omdat het beroep met zaaknummer 23/10437 gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De rechtbank merkt de zaken 23/10436 en 23/10437 aan als samenhangende zaken en kent daarom geen afzonderlijke vergoeding van proceskosten toe voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade in zaak 23/10436. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep met zaaknummer 23/10436 ongegrond;
- verklaart het beroep met zaaknummer 23/10437 gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 10.268;
- vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 417;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.083;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [4]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

2.E-mail van 15 april 2024 met als titel Terugkoppeling platform koerslijsten en beleid m.b.t. toepassen koerslijsten.
4.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.