Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3784

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
BRE 24/5686
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag BPM wegens schending hoorrecht en terugwijzing

Belanghebbende B.V. heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €3.528 opgelegd door de inspecteur. De inspecteur handhaafde de aanslag en verklaarde het bezwaar ongegrond. Belanghebbende verzocht om een hoorgesprek, dat vanwege organisatorische redenen slechts gedeeltelijk plaatsvond. Het hoorgesprek werd voortijdig beëindigd, waarbij de onderhavige zaak niet werd besproken. De inspecteur deed vervolgens uitspraak op bezwaar zonder het hoorgesprek voort te zetten.

De rechtbank oordeelt dat het hoorrecht is geschonden omdat belanghebbende duidelijk heeft aangegeven alsnog gehoord te willen worden. De inspecteur kon dit risico niet aan de gemachtigde toerekenen, mede omdat de inspecteur zelf te laat was met de uitspraak op bezwaar. Er waren voldoende alternatieve tijdstippen beschikbaar om het hoorgesprek voort te zetten.

Verder is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de afhandeling van het bezwaar met circa 18 maanden is overschreden, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €1.500, waarvan €500 voor rekening van de inspecteur en €1.000 voor rekening van de Staat komt.

De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en wijst de zaak terug naar de inspecteur voor een hernieuwde behandeling. Tevens wordt de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de naheffingsaanslag BPM wegens schending van het hoorrecht en wijst de zaak terug naar de inspecteur voor hernieuwde behandeling, met toekenning van immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5686

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 3.528 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd en of het hoorrecht is geschonden. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard en dat de zaak moet worden teruggewezen naar de inspecteur wegens schending van het hoorrecht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op 24 mei 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi Q8 4.0 TFSI RS quattro met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 25.554.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de koerslijstmethode.
3.2.
De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 29.082. De inspecteur heeft vervolgens een naheffingsaanslag opgelegd.
3.3.
Belanghebbende heeft met dagtekening 28 november 2022, door de inspecteur ontvangen op 30 november 2022, een bezwaarschrift ingediend waarin zij heeft verzocht om te worden gehoord.
3.4.
Met dagtekening 26 oktober 2023, ontvangen door de inspecteur op 27 oktober 2023, heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
3.5.
De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 1 november 2023 uitgenodigd voor een hoorgesprek met als mogelijke data: 8 november 2023 om 15:00 uur en 9 november 2023 om respectievelijk 9:00 uur, 10:00 uur, 11:00 uur en 12.30 uur. Tijdens het hoorgesprek zouden 125 verschillende zaken worden behandeld.
3.6.
Partijen hebben afgesproken om het (telefonische) hoorgesprek in alle 125 zaken te laten plaatsvinden op 8 november 2023 om 15:00 uur. Tijdens dit gesprek heeft de gemachtigde van belanghebbende om 17:15 uur aangegeven het hoorgesprek te willen beëindigen omdat hij zijn kind moest ophalen bij de kinderopvang. Op dat moment waren 82 zaken besproken en de overige 43 nog niet, waaronder de onderhavige zaak.
3.7.
De inspecteur heeft per e-mail van 9 november 2023 om 13:08 uur het verslag van het hoorgesprek aan gemachtigde toegezonden. Bij de auto’s die niet zijn besproken, is het opmerkingenveld leeg gelaten. Gemachtigde heeft dezelfde dag om 15:46 uur per e-mail gereageerd op het hoorverslag en gesteld dat was afgesproken dat voor de overige zaken het hoorgesprek op maandag 13 november 2023 zou plaatsvinden en dat hij de inspecteur twee dagen uitstel verleend voor het doen van uitspraak op bezwaar. Verder schrijft hij dat indien uitspraak wordt gedaan zonder hoorgesprek, hij de rechtbank zal verzoeken om terugwijzing.
3.8.
De inspecteur heeft vervolgens op 10 november 2023 uitspraak op bezwaar gedaan, zonder dat een hoorgesprek heeft plaatsgevonden voor de onderhavige zaak.

Overwegingen

Schending hoorrecht
4. De rechtbank stelt vast dat (de gemachtigde van) belanghebbende in de onderhavige zaak niet is gehoord terwijl hij duidelijk te kennen heeft gegeven om op een later tijdstip alsnog gehoord te willen worden.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat het hoorrecht is geschonden en volgt de inspecteur niet in zijn stelling dat het feit dat er niet is gehoord uitsluitend aan de gemachtigde is te wijten. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de inspecteur zelf al te laat was met het doen van uitspraak op bezwaar. Dat de zaken alsnog snel moesten worden behandeld om binnen de uitspraaktermijn te blijven komt voor rekening en risico van de inspecteur en kan niet gemachtigde worden aangerekend.
4.2.
Ondanks dat het wellicht onhandig is om een grote hoeveelheid zaken later op de middag (om 15:00 uur) te plannen, heeft gemachtigde ter zitting onweersproken gesteld dat het vaker voorkomt dat zoveel zaken tegelijk in een hoorgesprek worden behandeld en dat dit niet eerder tot problemen heeft geleid. Ook de stelling van de inspecteur dat gemachtigde van tevoren een overzicht had moeten maken van de grieven per zaak volgt de rechtbank niet. Belanghebbende is niet verplicht om dit te doen.
4.3.
Daarbij komt dat er nog voldoende tijdstippen voor handen waren om alsnog een hoorgesprek te houden voor de onderhavige zaak. Er stonden in het datavoorstel van de inspecteur immers ook nog vier tijdstippen voor 9 november 2023 vermeld. Daarnaast heeft belanghebbende voorgesteld om op 13 november 2023 het hoorgesprek te vervolgen. Gemachtigde heeft daarbij toegezegd de inspecteur uitstel te verlenen voor de uitspraak op bezwaar voor de betreffende 43 zaken die op 8 november 2023 niet aan bod waren gekomen. Dat de inspecteur alle 125 zaken uit administratieve en organisatorische overwegingen als één batch bij elkaar wilde houden kan belanghebbende eveneens niet worden aangerekend en dient voor rekening van de inspecteur te blijven. De inspecteur had in de 82 zaken die wel op 8 november 2023 waren besproken (tijdig) uitspraak op bezwaar kunnen doen en voor de onderhavige zaak op korte termijn daarna, nadat belanghebbende ook in deze zaak zou zijn gehoord.
4.4.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het hoorrecht als bedoeld in artikel 7:2 van Pro de Awb is geschonden. Onder omstandigheden kan een dergelijke schending worden gepasseerd op grond van artikel 6:22 van Pro de Awb. Belanghebbende heeft verzocht de zaak terug te wijzen naar de inspecteur voor een hoorgesprek, zodat de inspecteur daarna opnieuw uitspraak op bezwaar kan doen.
4.5.
De rechtbank overweegt dat uit de gedingstukken blijkt dat belanghebbende en de inspecteur van mening verschillen over de van belang zijnde feiten, de historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde van de auto gelet op de wel of niet aanwezige opties. In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat belanghebbende niet is benadeeld door het achterwege blijven van een hoorzitting. Dat brengt mee dat de uitspraak niet in stand kan worden gelaten met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. [1] De rechtbank zal daarom de uitspraak op bezwaar vernietigen en de zaak terugwijzen naar de inspecteur.
Immateriële schadevergoeding
4.6.
Belanghebbende heeft op 5 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.7.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 30 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet deze uitspraak op 4 mei 2026. De redelijke termijn van twee jaar is tot nu toe reeds met afgerond 18 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.8.
Omdat de bezwaarfase afgerond 12 maanden heeft geduurd en daarmee 6 maanden te lang, komt € 500 (6/18e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.000) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en wijst de zaak terug naar de inspecteur. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten voor de beroepsfase.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- wijst de zaak terug naar de inspecteur voor een hernieuwde behandeling en beslissing op bezwaar;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.000;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad, 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:114 en Hoge Raad, 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7495