Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting en diende vervolgens beroep in. De rechtbank had het beroep op 15 januari 2026 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn, omdat de uitspraak op bezwaar digitaal was verzonden en niet tijdig was ontvangen.
Belanghebbende stelde dat hij de uitspraak op bezwaar pas per post ontving en het digitale bericht in de spamfilter was beland. De heffingsambtenaar voerde aan dat het e-mailadres dat belanghebbende bij het bezwaar had opgegeven, voldoende was voor elektronische correspondentie en dat het niet tijdig ontvangen van de digitale uitspraak geen rechtvaardiging bood voor overschrijding.
De rechtbank oordeelde dat enkel het vermelden van een e-mailadres bij het bezwaar niet betekent dat belanghebbende kenbaar heeft gemaakt dat hij elektronisch bereikbaar is voor correspondentie. Er was onvoldoende bewijs dat belanghebbende hiermee akkoord was gegaan. Belanghebbende had het beroepschrift ingediend op de dag van ontvangst van de uitspraak per post. Daarom was de niet-ontvankelijkverklaring onterecht en werd het verzet gegrond verklaard.
De uitspraak van 15 januari 2026 vervalt en het onderzoek wordt hervat in de stand van vóór die uitspraak. De rechtbank wees erop dat ook na hervatting het beroep alsnog niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Er zijn geen proceskosten toegekend aan belanghebbende.