Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3464

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/3751
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens ontbreken juiste uittreksel handelsregister bij WOZ-beschikking

Belanghebbende B.V. stelde beroep in tegen een WOZ-beschikking, maar de rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat niet het juiste uittreksel uit het handelsregister was overgelegd. Belanghebbende stelde verzet in tegen deze beslissing.

De rechtbank oordeelt dat zij op correcte wijze een herstelmogelijkheid heeft geboden door middel van een brief van 3 oktober 2025, waarin werd aangegeven welk verzuim moest worden hersteld, binnen welke termijn en met de waarschuwing dat het beroep anders niet-ontvankelijk zou worden verklaard. De ontvangst van deze brief wordt door de gemachtigde betwist, maar de rechtbank acht de ontvangst aannemelijk op grond van track-and-trace informatie en de gebruikelijke postbuspraktijk.

Hoewel de gemachtigde aanvullende uittreksels indiende, ontbrak het juiste uittreksel van belanghebbende zelf binnen de gestelde termijn. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of de machtiging was afgegeven door de bevoegd bestuurder. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand. Tevens wordt het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen omdat de gemachtigde niet bevoegd was om namens belanghebbende te procederen.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/3751

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende

(gesteld gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 6 februari 2026 in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 6 februari 2026 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking met aanslagnummer [nummer] voor object [adres 1] .
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gesteld gemachtigde van belanghebbende deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 6 februari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat geen uittreksel uit het handelsregister van belanghebbende is overgelegd. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1.
Gesteld gemachtigde voert in verzet het volgende aan:
- Bij brief van 5 september 2025 is reeds een machtiging en uittreksels ingediend.
- In de uitspraak wordt niet vermeld dat een herstelbrief is verstuurd met vermelding van een termijn en het rechtsgevolg. De brief van 3 oktober 2025 voldoet niet aan de eisen.
- De ontvangst van de brief van 3 oktober 2025 wordt betwist.
- De machtiging was materieel toereikend. De rechtbank had bij twijfel over de bevoegdheid gericht en concreet moeten verzoeken om aanvullende documentatie. Ter zitting heeft gesteld gemachtigde verklaard dat [belanghebbende] als rechtspersoon niet bestaat.
- In de uitspraak wordt verwezen naar track-and-trace informatie van PostNL. Deze informatie is niet aan de belanghebbende voorgelegd, wat strijdig is met het beginsel van hoor en wederhoor.
2.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Dit staat in artikel 8:24, tweede lid van de Awb. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren. Als de ander een rechtspersoon is of een natuurlijk persoon die een onderneming drijft, kan de rechtbank ook verlangen dat een recent uittreksel uit het handelsregister wordt overgelegd.
Procesverloop
4. De rechtbank constateert dat gesteld gemachtigde in het beroepschrift vermeld dat hij beroep instelt namens belanghebbende, [belanghebbende] B.V. Bij brief van 5 augustus 2025 is verzocht om een machtiging in te dienen en een uittreksel uit het handelsregister (eventueel meerdere uittreksels van bovenliggende rechtspersonen) waaruit blijkt wie als (uiteindelijk) bevoegd bestuurder gerechtigd is beroep in te stellen.
4.1.
De rechtbank heeft op 5 september 2025 een machtiging ontvangen, ondertekend door [persoon 1] en [persoon 2] en uittreksels uit het handelsregister van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. De rechtbank heeft op 3 oktober 2025 nogmaals verzocht om een uittreksel uit het handelsregister van belanghebbende.
4.2.
De rechtbank heeft op 29 oktober 2025 wederom een machtiging en uittreksels uit het handelsregister van [bedrijf 3] B.V., [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 1] B.V ontvangen.
Herstelmogelijkheid verzuim
5. De rechtbank stelt voorop dat bij de stukken van 5 september 2025 niet de juiste uittreksels waren toegevoegd. De rechtbank heeft daarom bij brief van 3 oktober 2025 gesteld gemachtigde de mogelijkheid geboden het verzuim te herstellen. Deze brief wordt ook genoemd in de uitspraak van 6 februari 2026.
5.1.
De rechtbank constateert dat in de brief van 3 oktober 2025 wordt vermeld (i) welk verzuim moet worden hersteld, (ii) binnen welke termijn en (iii) dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet aan het verzoek wordt voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is met deze brief op correcte wijze een herstelmogelijkheid geboden. De door gesteld gemachtigde aangehaalde jurisprudentie [2] heeft geen enkele relevantie met betrekking tot de in verzet aangevoerde gronden.
5.2.
Gesteld gemachtigde ontkent (in meerdere procedures) dat hij aangetekende zendingen heeft ontvangen. De rechtbank overweegt dat alle correspondentie aan gesteld gemachtigde wordt verzonden naar het door hem opgegeven postbusadres [postbus] te ( [adres 2] . Deze postbus bevindt zich op een PostNL-punt in een winkel van Primera aan het [adres 3] . Gesteld gemachtigde heeft in 2023 in meerdere verzetzaken met dezelfde argumenten de ontvangst van in die zaken door de rechtbank aangetekend verzonden stukken betwist. Na de zitting in die zaken heeft de heffingsambtenaar in één van die zaken gemeld dat hem bij navraag was gebleken dat de eigenaar en medewerkers van de Primera toegang hebben tot (een afschrift van) het identiteitsbewijs van gesteld gemachtigde en dat de afspraak geldt dat zij namens gesteld gemachtigde voor ontvangst van de aangetekende brieven tekenen. Deze werkwijze zou volgens die melding zijn ontstaan omdat gesteld gemachtigde veel aangetekende post ontvangt en het zowel de eigenaar van de Primera als gesteld gemachtigde het op deze manier veel tijd bespaart.
5.3.
De brief van 3 oktober 2025 is aangetekend verzonden en volgens de track-and-trace informatie van PostNL is op 4 oktober 2025 voor ontvangst getekend. De rechtbank ziet geen reden om te betwijfelen of deze ook is ontvangen. Het is immers in de eerste plaats gesteld gemachtigde zelf die voor alle correspondentie een postbusnummer opgeeft. De rechtbank acht het onaannemelijk dat gesteld gemachtigde de brief van 4 oktober 2025 niet heeft ontvangen. De stelling van gesteld gemachtigde dat niet duidelijk is wie de brief heeft afgehaald, is in dit geval een onvoldoende betwisting van de ontvangst. Er zijn verder, behoudens de ontkenning van de gesteld gemachtigde, geen aanwijzingen dat hij de brief niet zou hebben ontvangen. Gesteld gemachtigde heeft bovendien op 29 oktober 2025 nog aanvullende uittreksels uit het handelsregister ingediend. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank voldoende vaststaan dat gesteld gemachtigde de brief heeft ontvangen. [3]
5.4.
Vast staat dat de rechtbank binnen de gestelde termijn geen uittreksel uit het handelsregister van belanghebbende heeft ontvangen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat niet kan worden beoordeeld of de machtiging is afgegeven door de (uiteindelijk) bevoegd bestuurder/persoon. Het verzet is ongegrond.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beginsel van hoor en wederhoor niet geschonden. Gesteld gemachtigde heeft in de gehele procedure tot en met de behandeling van het verzet voldoende de gelegenheid gehad om te reageren op de uitspraak van 6 februari 2026 en de daarin aangehaalde brieven en stukken.

Conclusie en gevolgen

6. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 6 februari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Immateriëleschadevergoeding

7. Nu niet is gebleken dat gesteld gemachtigde is gemachtigd om namens
belanghebbende te procederen, is er geen aanleiding om een immateriëleschadevergoeding toe te kennen. Gesteld gemachtigde is immers niet bevoegd om namens
belanghebbende een verzoek te doen om immateriëleschadevergoeding. De rechtbank wijst
het verzoek dan ook af.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het verzet ongegrond;
 wijst het verzoek om immateriëleschadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr.W. Dekkers, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.ABRvS 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1425 en Hoge Raad 17 oktober 2014,
3.Vergelijk Hof Arnhem-Leeuwarden, 21 november 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9937.