Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3463

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/3064
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-betaling griffierecht afgewezen

Belanghebbende heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 9 februari 2026, waarin het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht voor een WOZ-beschikking. De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 behandeld en beoordeelt of de eerdere niet-ontvankelijkverklaring terecht was.

De gemachtigde van belanghebbende voerde aan dat de griffierechtnota onduidelijk was, dat er geen deugdelijke herstelbrief was, dat de ontvangst van de nota's werd betwist en dat er sprake was van samenhang tussen besluiten waardoor slechts één griffierecht verschuldigd zou zijn. Tevens werd gesteld dat het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden omdat track-and-trace informatie niet was voorgelegd.

De rechtbank oordeelt dat de griffierechtnota's voldoende duidelijk waren en dat de gemachtigde de koppeling met de zaak kon maken. De ontvangst van de aangetekende herinneringsnota is aannemelijk, mede omdat deze werd verzonden naar het door gemachtigde opgegeven postbusadres waar namens hem wordt getekend. Het beginsel van hoor en wederhoor is niet geschonden omdat gemachtigde voldoende gelegenheid heeft gehad te reageren. Er was geen sprake van één beroepschrift tegen meerdere besluiten. De rechtbank bevestigt dat het griffierecht niet is betaald binnen de gestelde termijn en verklaart het beroep terecht niet-ontvankelijk.

Het verzet wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de procedure nog geen anderhalf jaar heeft geduurd. De uitspraak van 9 februari 2026 blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het beroep blijft niet-ontvankelijk wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/3064

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van

[bedrijf] B.V., statutair gevestigd in [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 9 februari 2026 in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 9 februari 2026 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking met aanslagnummer [nummer] voor het object [adres 1] .
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 9 februari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het griffierecht niet is betaald. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1.
Gemachtigde voert in verzet het volgende aan:
- De aanduiding ‘kennelijk’ vereist dat geen twijfel mogelijk is. Er was nader onderzoek vereist, omdat de griffierechtnota onduidelijk is (geen objectadres, wisselende tenaamstelling, geen splitsingsbrief).
- Een deugdelijke herstelbrief met vermelding van termijn en rechtsgevolg ontbreekt.
- De ontvangst van de nota’s en brieven wordt betwist.
- Er is sprake van samenhang als bedoeld in artikel: 8:41, derde lid van de Awb. De rechtbank was gehouden dit ambtshalve te onderzoeken.
- In de uitspraak wordt verwezen naar track-and-trace informatie van PostNL. Deze informatie is niet aan gemachtigde voorgelegd, wat strijdig is met het beginsel van hoor en wederhoor.
2.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Verzonden nota’s
3. Belanghebbende is bij brief van 2 juli 2025 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht. In de brief wordt als kenmerk het zaaknummer BRE 25/03064 en belanghebbende [bedrijf] BV vermeld. Deze gegevens zijn ook terug te vinden in de ontvangstbevestiging van het beroep. Aangezien de rechtbank het griffierecht niet tijdig heeft ontvangen, is met dagtekening 31 juli 2025 een herinneringsnota verzonden met hetzelfde kenmerk. In de herinneringsnota wordt aangegeven dat het beroepschrift niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als het verschuldigde bedrag niet (tijdig) binnen vier weken is overgemaakt. De rechtbank stelt vast dat gemachtigde hiermee de mogelijkheid is geboden het verzuim te herstellen met vermelding van termijn en rechtsgevolg.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is ook afdoende duidelijk op welke beroepen de griffierechtsnota’s betrekking hebben. Gemachtigde dient aan de hand van de gegevens in de griffierechtnota’s en zijn administratie de koppeling te kunnen maken met de door hem gevoerde zaak. Daarbij is het niet relevant dat de griffierechtnota niet het objectadres vermeldt. Er is immers geen rechtsregel die voorschrijft dat dergelijke correspondentie een (volledige) vermelding van deze gegevens moet bevatten.
Betwisting ontvangst
4. Gemachtigde ontkent (in meerdere procedures) dat hij aangetekende zendingen heeft ontvangen. De rechtbank overweegt dat alle correspondentie aan gemachtigde wordt verzonden naar het door hem opgegeven postbusadres [postbus] te ( [adres 2] . Deze postbus bevindt zich op een PostNL-punt in een winkel van Primera aan het [adres 3] . Gemachtigde heeft in 2023 in meerdere verzetzaken met dezelfde argumenten de ontvangst van in die zaken door de rechtbank aangetekend verzonden stukken betwist. Na de zitting in die zaken heeft de heffingsambtenaar in één van die zaken gemeld dat hem bij navraag was gebleken dat de eigenaar en medewerkers van de Primera toegang hebben tot (een afschrift van) het identiteitsbewijs van gemachtigde en dat de afspraak geldt dat zij namens gemachtigde voor ontvangst van de aangetekende brieven tekenen. Deze werkwijze zou volgens die melding zijn ontstaan omdat gemachtigde veel aangetekende post ontvangt en het zowel de eigenaar van de Primera als gemachtigde het op deze manier veel tijd bespaart.
4.1.
De herinneringsnota van 31 juli 2025 is aangetekend verzonden en volgens de track-and-trace informatie van PostNL is op 2 augustus 2025 voor ontvangst getekend. De rechtbank ziet geen reden om te betwijfelen of deze ook is ontvangen. Het is immers in de eerste plaats gemachtigde zelf die voor alle correspondentie een postbusnummer opgeeft. De rechtbank acht het onaannemelijk dat gemachtigde de brief van 31 juli 2025 niet heeft ontvangen. De stelling van gemachtigde dat niet duidelijk is wie de brief heeft afgehaald, is in dit geval een onvoldoende betwisting van de ontvangst. Er zijn verder, behoudens de ontkenning van de gemachtigde, geen aanwijzingen dat hij de brief niet zou hebben ontvangen. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank voldoende vaststaan dat gemachtigde de brief heeft ontvangen. [2] Deze grond slaagt niet.
Hoor en wederhoor
5. Gemachtigde stelt dat in de uitspraak wordt verwezen naar track-and-trace informatie van PostNL die niet aan hem is voorgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is het beginsel van hoor en wederhoor niet geschonden. Gemachtigde heeft in de procedure tot en met de behandeling van het verzet voldoende de gelegenheid gehad om te reageren op de uitspraak van 9 februari 2026 en de daarin aangehaalde brieven en stukken.
Samenhang
6. De rechtbank overweegt dat indien belanghebbende één beroepschrift indient tegen twee of meer met elkaar samenhangende besluiten slechts eenmaal griffierecht is verschuldigd. [3] In dit geval is geen sprake van één beroepschrift tegen twee of meer met elkaar samenhangende besluiten. Verder is het zo dat het niet-betalen van griffierecht omdat belanghebbende zelf vindt dat sprake is van samenhang waarbij de rechtbank later anders beslist, in zijn risicosfeer ligt. [4]
6.1.
Vast staat dat de rechtbank binnen de gestelde termijn het griffierecht niet heeft ontvangen. De rechtbank heeft dan ook terecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank ziet in al hetgeen gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding tot een ander oordeel. Het verzet is ongegrond.

Conclusie en gevolgen

7. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 9 februari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Immateriëleschadevergoeding
8. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat indien het beroep niet-ontvankelijk is wegens niet betalen van griffierecht, er als uitgangspunt geen recht bestaat op immateriëleschadevergoeding, tenzij de beroepsprocedure meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De rechtbank constateert dat deze termijn nog niet is verstreken. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het verzet ongegrond;
 wijst het verzoek om immateriëleschadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr.W. Dekkers, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Vergelijk Hof Arnhem-Leeuwarden, 21 november 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9937.
3.Dit staat in artikel 8:41, derde lid van de Awb.
4.Hoge Raad 14 april 2023, ECLI:NL:HR:560, r.o. 3.3.7.