Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3246

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
25/2472 tot en met 25/2474
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Wet OBArt. 15 lid 1 Wet OBArt. 1 onderdeel c BUABesluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968ECLI:NL:HR:2020:1777
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op teruggaaf omzetbelasting voor huisvesting uitzendkrachten zonder bijzondere omstandigheden

Belanghebbende, een in Polen gevestigde onderneming die personeel ter beschikking stelt in Nederland, verzocht om teruggaaf van omzetbelasting die zij betaalde over de huisvesting van haar werknemers in Nederland. De inspecteur wees deze verzoeken gedeeltelijk af, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank onderzocht of sprake was van bijzondere omstandigheden die het recht op teruggaaf van omzetbelasting konden rechtvaardigen, zoals bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 en het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2020. Belanghebbende stelde dat zij haar werknemers verplicht huisvesting aanbiedt vanwege het bedrijfsbelang en dat zij geen keuzevrijheid hebben.

De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar werknemers de aangeboden huisvesting zonder keuze moeten accepteren. Er zijn immers ook werknemers die zelf huisvesting regelen. De aanwezigheid van deze twee groepen wijst juist op keuzevrijheid. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat niet is aangetoond dat belanghebbende op basis van een inlichting van de Belastingdienst gerechtvaardigd mocht vertrouwen op teruggaaf.

Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank de beroepen ongegrond en handhaafde de afwijzing van de teruggaafverzoeken. Belanghebbende krijgt geen terugbetaling van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat geen recht bestaat op teruggaaf van de Nederlandse omzetbelasting over de huisvesting van werknemers.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/2472, 25/2473 en 25/2474
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 21 april 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] Sp.z.o.o., uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: drs. [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 18 april 2025 en 24 april 2025.
1.1.
Belanghebbende heeft drie verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting ingediend. De inspecteur heeft de verzoeken bij beschikking gedeeltelijk afgewezen. Cijfermatig is de gang van zaken de volgende.
Tijdvak
Verzoek teruggaaf
Teruggaaf bij beschikking
2022
€ 18.450,12
€ 14.036
1-4-2023 t/m 30-6-2023
€ 26.548,82
€ 5.590
1-7-2023 t/m 30-9-2023
€ 24.245,34
€ 9.107
1.2.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de beschikkingen ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 10 maart 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de gemachtigde van belanghebbende [persoon 1] , [persoon 2] en [gemachtigde] en namens de inspecteur [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

Feiten

2. Belanghebbende is gevestigd in Polen en heeft als activiteit het ter beschikking stellen van personeel aan derden. In Nederland zien de activiteiten van belanghebbende in hoofdzaak op het uitlenen van personeel voor steigerbouw (de werknemers). De werknemers zijn fiscaal inwoner van Polen en werken tijdelijk in Nederland.
2.1.
De werknemers worden door belanghebbende aangeworven in Polen en hebben een arbeidsovereenkomst met belanghebbende voor bepaalde tijd naar Pools recht. De werknemers worden tijdelijk uitgezonden naar Nederland.
2.2.
Ter zake van de uitzending naar Nederland wordt door belanghebbende aan de werknemers huisvesting aangeboden in Nederland. Ook zijn er werknemers die zelf huisvesting regelen. Deze werknemers ontvangen een aanvullende vergoeding ter compensatie van de kosten van dubbele huisvesting.
2.3.
Tot het dossier behoort een verklaring van een opdrachtgever van belanghebbende. In die verklaring staat onder meer:
“(…) Because technically skilled scaffolders are in very short supply on the Dutch market, we have no other option than to use the services of foreign subcontractors and rely on foreign employees to fulfil our contractual obligations towards our clients. We cannot fulfil our demand for employees exclusively from the Dutch labour market.
(…) As a company we value strongly that all foreign employees who are hired externally are provided with appropriate accommodation in the vicinity of our work locations by their employer. We do not want that foreign employees who are hired trough our subcontractors are left by themselves to take of accommodation in the Netherlands. This means that we expect our suppliers such as [belanghebbende] to provide accommodation to its workers in the Netherlands if these employees are not in possession of their own accommodation in the Netherlands.(…)”
2.4.
Aan belanghebbende is ter zake van de huur van de huisvesting Nederlandse omzetbelasting in rekening gebracht. Belanghebbende heeft verzoeken om teruggaaf ingediend met betrekking tot deze betaalde omzetbelasting. De inspecteur heeft de verzoeken in zoverre afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een teruggaaf van de in Nederland betaalde omzetbelasting ter zake van de tijdelijke huisvesting in Nederland van haar werknemers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat geen recht op teruggaaf bestaat. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Motivering

Vooraf
4. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of belanghebbende in de betreffende periodes aangifteplichtig was in Nederland, waardoor teruggaaf van omzetbelasting niet mogelijk is. Tevens is in geschil of sprake is van bijzondere omstandigheden, waardoor artikel 1, onderdeel c van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (hierna: BUA) niet van toepassing is en belanghebbende de omzetbelasting in Nederland kan terugvragen. Zoals ter zitting tussen partijen is overeengekomen, zal de rechtbank eerst de vraag behandelen of sprake is van bijzondere omstandigheden.
Bijzondere omstandigheden
4.1.
Ingevolge artikel 32 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB), wordt voor niet in Nederland gevestigde ondernemers het recht op teruggaaf van voorbelasting bepaald overeenkomstig de daarvoor geldende bepalingen in de Wet OB. Artikel 1, onderdeel c, van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (BUA) bepaalt hierover het volgende:
“1. De in artikel 15, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 bedoelde aftrek wordt uitgesloten in de gevallen waarin en voor zover de goederen en diensten worden gebezigd voor:
(...)
c. het aan het personeel van de ondernemer verlenen van huisvesting, uitkeren van loon in natura, geven van gelegenheid tot sport, ontspanning of privé-vervoer, dan wel voor andere persoonlijke doeleinden van dat personeel. De terbeschikkingstelling van een auto wordt van het vorenstaande uitgezonderd.”
4.2.
In beginsel is dus geen aftrek van voorbelasting mogelijk als die ziet op het aan het personeel verlenen van huisvesting. Belanghebbende heeft echter verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2020 [1] . Volgens belanghebbende is sprake van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in dat arrest waardoor wel recht op aftrek van voorbelasting bestaat. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
4.3.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 november 2020 bepaald:
“(…) 2.4.2 De in artikel 1, lid 1, aanhef en letter c, van het BUA bedoelde uitsluiting van aftrek van omzetbelasting ter zake van goederen en diensten is niet van toepassing indien bijzondere omstandigheden de ondernemer dwingen tot het afnemen van de desbetreffende goederen of diensten. Die uitzondering doet zich voor indien de uitgaven voor die goederen of diensten primair worden gedaan in het belang van de onderneming, en het persoonlijke voordeel van de werknemer, zo al aanwezig, voor de werkgever van ondergeschikt belang is.
2.4.3
De keuze om bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst gebruik te maken van een door de werkgever gehuurd onderkomen, is in het algemeen een persoonlijke keuze van degene die met die werkgever de arbeidsovereenkomst sluit. Het in het kader van die arbeidsovereenkomst betrekken van dat onderkomen dient daarom diens privédoeleinden.
Dit een en ander neemt niet weg dat zich gevallen kunnen voordoen waarin een werkgever personeelsleden gebruik doet maken van door hem gehuurde onderkomens omdat het bedrijfsbelang dat vereist. Dat is het geval als het huren van deze onderkomens primair wordt opgeroepen door de bijzondere behoeften van de onderneming en de betrokken personeelsleden de hun aangeboden onderkomens aanvaarden, zonder dat hun daarbij - in juridische of in feitelijke zin - ruimte wordt gelaten voor een eigen keuze voor een bepaald onderkomen of met betrekking tot het medegebruik ervan door een of meer anderen. In zo’n geval moet worden aangenomen dat binnen het bedrijfsbelang gelegen bijzondere omstandigheden de betrokken ondernemer dwingen de onderkomens te huren.(…)”
4.4.
De bewijslast dat sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden ligt naar het oordeel van de rechtbank bij belanghebbende. Belanghebbende heeft daarvoor aangedragen dat er een noodzaak bestaat tot het inhuren van buitenlandse arbeidskrachten omdat de Nederlandse markt over onvoldoende arbeidskrachten beschikt. Volgens belanghebbende is zij tevens genoodzaakt om huisvesting te verzorgen voor deze werknemers. Belanghebbende verwijst ter onderbouwing van deze stellingen onder andere naar de verklaring van een opdrachtgever van belanghebbende. Belanghebbende heeft verder gesteld dat de werknemers geen enkele keuzevrijheid hebben voor bepaalde huisvesting. Volgens belanghebbende kunnen werknemers de huisvesting niet weigeren en hebben zij geen inspraak met hoeveel personen zij een onderkomen moeten delen. Volgens belanghebbende zijn de afspraken hierover vastgelegd in een addendum bij de arbeidsovereenkomsten. De inspecteur betwist gemotiveerd alle stellingen van belanghebbende.
4.5.
Vast staat dat belanghebbende gebruik maakt van twee groepen werknemers. De grootste groep werknemers beschikt niet over huisvesting in Nederland. Daarnaast is er een kleinere groep werknemers die volgens belanghebbende zelf al huisvesting heeft in Nederland, of gebruik maakt van woonruimte bij familie of vrienden. Hoewel de rechtbank aannemelijk acht dat het faciliteren van huisvesting door belanghebbende van belang is voor de uitvoering van belanghebbendes onderneming, heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet aannemelijk gemaakt dat haar werknemers aangeboden huisvesting zonder een vorm van keuze moeten accepteren. Een verplichting om de huisvesting te accepteren volgt niet uit de arbeidsovereenkomsten die behoren tot de stukken van het geding en waar belanghebbende naar verwijst. Als gevolg hiervan is sprake van een persoonlijke keuze van iedere werknemer die primair het privébelang dient. Anders dan belanghebbende stelt, is de rechtbank van oordeel dat de aanwezigheid van de twee verschillende groepen werknemers juist wijst op een keuzemogelijkheid. Belanghebbende heeft gesteld dat het praktisch niet mogelijk is voor een werknemer om onderkomen in Nederland te regelen, maar heeft die stelling niet nader onderbouwd anders dan met algemene verwijzingen naar de omstandigheden op de huizenmarkt. Gelet op het feit dat er werknemers zijn die wel zelf huisvesting regelen, acht de rechtbank ook niet aannemelijk dat het praktisch niet mogelijk is om dat te doen. Verder is de rechtbank van oordeel, anders dan belanghebbende stelt, dat bij een buitenlandse werkgever niet anders hoeft te worden getoetst of sprake is van bijzonder omstandigheden dan bij een Nederlandse werkgever. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat binnen het bedrijfsbelang gelegen bijzondere omstandigheden haar dwingen de onderkomens te huren.
Vertrouwensbeginsel
4.6.
Belanghebbende heeft gesteld dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Belanghebbende heeft daarvoor verwezen naar de volgende zin op de website van de Belastingdienst:
“De btw op kosten voor logies en dergelijke kunt u wel terugvragen als u die kosten maakt in het kader van uw onderneming en die kosten gemaakt worden ten behoeve van belaste prestaties.”Volgens belanghebbende mocht zij erop vertrouwen dat zij de betaalde omzetbelasting kon terugvragen.
4.7.
De rechtbank begrijpt het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel zo dat zij meent dat sprake is van een inlichting die in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij door deze inlichting een handeling heeft verricht of nagelaten ten gevolge waarvan een lager bedrag wordt teruggegeven dan zij op basis van die informatie meende als gevolg van die handeling of dat nalaten terug te kunnen krijgen. [2] Niet gesteld of gebleken is namelijk wat dat handelen of nalaten dan zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet.
Resterend geschilpunt
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat geen recht bestaat op een teruggaaf van de Nederlandse omzetbelasting die ziet op het huren van de onderkomens voor de werknemers van belanghebbende. Gelet op dit oordeel van de rechtbank behoeft het geschilpunt over de aangifteplicht geen behandeling meer.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de teruggaafbeschikkingen in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, en mr. J.A. den Braber-Riemens en mr. S.B. Cornielje, leden, in aanwezigheid van mr. drs. I.E. Rijsdijk-van Eerd, griffier.
griffier
voorzitter
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad, 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1777
2.Vgl. Hoge Raad, 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1654.