Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3089

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
23/12034
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag BPM en belastingrente met toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 4.629 en de daarbij vastgestelde belastingrente van € 50. De inspecteur had de aanslag opgelegd na een hertaxatie die uitkwam op een hogere BPM dan de door belanghebbende opgegeven waarde op basis van een taxatierapport.

De rechtbank oordeelt dat de herleidingsmethode niet kan worden toegepast en dat belanghebbende onvoldoende heeft aangetoond dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft. De auto komt voor in een koerslijst, waardoor de taxatiemethode niet passend is. De rechtbank stelt vast dat de historische nieuwprijs € 210.551 bedraagt en dat het verschil in CO2-uitstoot leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde, wat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt.

De naheffingsaanslag BPM wordt daarom niet verlaagd. Wel wordt de beschikking belastingrente vernietigd omdat deze onjuist is vastgesteld. Daarnaast kent de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 1.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank. De inspecteur wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en het griffierecht wordt aan belanghebbende vergoed.

Uitkomst: Beroep gegrond voor belastingrente en immateriële schadevergoeding, beroep ongegrond voor naheffingsaanslag BPM.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/12034
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services BV),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.629. Gelijktijdig met naheffingsaanslag is de rente vastgesteld op € 50.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin en namens de inspecteur
mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Feiten

2. Belanghebbende heeft op 10 oktober 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Audi SQ7 4.0 TFSI quattro met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 19.429.
2.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
2.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 24.058 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

3. Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast. Verder is in geschil welke afschrijvingsmethode van toepassing is en de handelsinkoopwaarde.
Herleidingsmethode
3.1.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Afschrijvingsmethode
3.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft en dat deze niet in een koerslijst voorkomt. De inspecteur weerspreekt dat sprake is van dergelijke schade en betoogt dat de auto wel in een koerslijst staat.
3.3.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft hiervoor verwezen naar haar taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto op het moment van de aangifte ongeveer 1,5 jaar oud is en 13.139 kilometer heeft gereden.
3.4.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de auto in een koerslijst voorkomt. Immers bevindt zich in het dossier een koerslijst waar zowel de inspecteur als belanghebbende zich voor (delen van) hun standpunten zich op baseren of hebben gebaseerd. Er is dan geen aanleiding om op die grond wel de taxatiemethode te hanteren.
3.5.
Al hetgeen de inspecteur met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling.
3.6.
Het voorgaande brengt met zich dat de bepaling van de afschrijving voor de auto in het onderhavige geval niet kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van schade. Belanghebbende heeft voor dat geval een beroep gedaan op de koerslijstmethode.
Historische nieuwprijs
3.7.
Tussen partijen is vast komen te staan dat de historische nieuwprijs van de auto
€ 210.551 bedraagt.
Handelsinkoopwaarde
3.8.
Belanghebbende stelt voor toepassing van de koerslijstmethode dat uitgegaan dient te worden van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde zoals die door DRZ is gehanteerd. Volgens belanghebbende heeft het verschil in CO2-uitstoot van 12 gram tussen de te registreren auto en de referentieauto geen hogere handelsinkoopwaarde tot gevolg. Ter onderbouwing van zijn stelling voert belanghebbende aan dat een bedrag van € 40.000 aan opties in de koerslijst is verwerkt. Volgens belanghebbende mag de inspecteur daarnaast niet terugkomen op de handelsinkoopwaarde die hij heeft gebruikt bij het opleggen van de naheffingsaanslag. Belanghebbende stelt dat een wijziging van de nieuwprijs geen nadelige gevolgen voor belanghebbende tot gevolg mag hebben.
3.9.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de hogere historische nieuwprijs meebrengt dat voor de te registreren auto ook van een hogere handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat) moet worden uitgegaan. Volgens de inspecteur is niet duidelijk of de (enkele) handmatige aanpassing van de CO2-uitstoot doorwerkt naar de waardering. De in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde is namelijk gebaseerd op een referentieauto met een CO2-uitstoot van 271 gr/km, terwijl de te registreren auto een CO2-uitstoot van
283 gr/km heeft. De handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat) blijft volgens de gehanteerde koerslijst ongewijzigd. Volgens de inspecteur is de handelsinkoopwaarde van de te registreren auto hoger, omdat de hogere CO2-uitstoot verband houdt met de uitvoering en/of opties van de te registeren auto. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende de bewijslast om aannemelijk te maken wat de afwijkingen zijn van de te registreren auto ten opzichte van de referentieauto en welke gevolgen dit heeft voor de handelsinkoopwaarde. De inspecteur verwijst verder naar de inkoopfactuur en een andere koerslijst.
3.10.
De rechtbank overweegt dat in dit geval de inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering heeft betwist, en het daarom op de weg van belanghebbende ligt om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering onderbouwen. [2] Dit betekent dat belanghebbende het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus tot een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet in die bewijslast geslaagd. Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt waardoor het verschil in CO2-uitstoot wordt veroorzaakt, neemt de rechtbank als uitgangspunt dat een verschil in CO2-uitstoot zoals in onderhavige geval aan de orde is, te weten een verschil van 12 gr/km, zijn oorzaak moet vinden in een verschil in CO2-verhogende opties. Een dergelijk verschil in opties heeft gevolgen voor de handelsinkoopwaarde. Belanghebbende heeft onvoldoende inzicht gegeven in hoe in de koerslijst rekening is gehouden met dergelijke CO2-verhogende opties.
3.11.
Volgens belanghebbende kan de inspecteur niet terugkomen op de handelsinkoopwaarde die bij de het opleggen van naheffingsaanslag is gebruikt. Belanghebbende beroept zich daartoe op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank volgt deze stelling niet. Het staat de inspecteur in beginsel vrij om in de beroepsfase een nader standpunt in te nemen. Ook uit de door belanghebbende overgelegde e-mail volgt niet dat de inspecteur dat in dit geval niet kon doen. Belanghebbende miskent dat de e-mail niets zegt over de standpuntbepaling van de inspecteur binnen het toepassen van de koerslijstmethode.
Hoogte naheffingsaanslag
3.12.
Gelet op het voorgaande is de naheffingsaanslag niet te hoog vastgesteld
Belastingrente
3.13.
Ter zitting is vast komen te staan dat de beschikking belastingrente vernietigd moet worden. De rechtbank beslist dienovereenkomstig.
Immateriëleschadevergoeding
4. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 25 augustus 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 15 april 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 8 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.000.
4.2.
Omdat de termijnoverschrijding volledig aan de rechtbank is te wijten komt dit bedrag voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond voor zover het ziet op de beschikking belastingrente. De rechtbank vernietigt dan ook de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de belastingrentebeschikking, en vernietigt de belastingrentebeschikking. Voor het overige is het beroep ongegrond. Ook heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van € 1.000.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
5.2.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De rechtbank ziet aanleiding om de proceskostenvergoeding te matigen op grond van artikel 2, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, omdat belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld en het punt waarop belanghebbende in het gelijk wordt gesteld licht van gewicht is. [3] De rechtbank stelt de vergoeding vast met toepassing van een wegingsfactor van 0,5. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep inzake de belastingrentebeschikking gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de belastingrentebeschikking;
  • vernietigt de belastingrentebeschikking;
  • verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 1.000;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 934 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • draagt de inspecteur op het griffierecht van € 184 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.M.P. Dees, griffier op 15 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 november 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3376.
3.Hoge Raad 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:283.