Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 4.629 en de daarbij vastgestelde belastingrente van € 50. De inspecteur had de aanslag opgelegd na een hertaxatie die uitkwam op een hogere BPM dan de door belanghebbende opgegeven waarde op basis van een taxatierapport.
De rechtbank oordeelt dat de herleidingsmethode niet kan worden toegepast en dat belanghebbende onvoldoende heeft aangetoond dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft. De auto komt voor in een koerslijst, waardoor de taxatiemethode niet passend is. De rechtbank stelt vast dat de historische nieuwprijs € 210.551 bedraagt en dat het verschil in CO2-uitstoot leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde, wat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt.
De naheffingsaanslag BPM wordt daarom niet verlaagd. Wel wordt de beschikking belastingrente vernietigd omdat deze onjuist is vastgesteld. Daarnaast kent de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 1.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank. De inspecteur wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en het griffierecht wordt aan belanghebbende vergoed.