Belanghebbende, onderdeel van een fiscale eenheid, kocht in 2020 acht appartementen in aanbouw in Dubai van een dochtermaatschappij. De bouw lag sinds 2011 stil en er bestonden substantiële onzekerheden over de voltooiing. De aankoopprijs was aanzienlijk hoger dan de waarde in het economische verkeer, wat leidde tot een afboeking van de herinvesteringsreserve (HIR).
De inspecteur corrigeerde deze afboeking en liet de HIR volledig vrijvallen ten gunste van de winst, wat belanghebbende betwistte. De rechtbank stelde vast dat de aangifte inhoudelijke gebreken vertoonde doordat de waarde van de appartementen te hoog was ingeschat, en dat belanghebbende zich hiervan bewust had moeten zijn.
De rechtbank vond de schatting van de inspecteur redelijk en oordeelde dat de appartementen geen bedrijfsmiddel met dezelfde economische functie vormden als de vervreemde bedrijfsmiddelen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat er geen toezegging was gedaan door de inspecteur.
De aanslag en belastingrente werden gehandhaafd en het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.