Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2978

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
BRE 26/519
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbArt. 112 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogenArt. 7:10 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt UWV binnen vier maanden besluit te nemen na overschrijding beslistermijn WIA-uitkering

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV tot beëindiging van de loongerelateerde WGA-uitkering van een ex-werkneemster per 10 december 2024. Het UWV ontving het bezwaar op 30 december 2024, maar heeft niet binnen de wettelijke termijn van zeventien weken plus verlengingen besloten. Eiseres stelde het UWV op 1 december 2025 in gebreke en startte vervolgens beroep wegens het uitblijven van een beslissing.

De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat het UWV de beslistermijn heeft overschreden. Hoewel het UWV een langere termijn van 40 weken verzocht vanwege een tekort aan verzekeringsartsen, acht de rechtbank een termijn van vier maanden na verzending van het vonnis redelijk om alsnog een besluit te nemen.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat het UWV de nieuwe beslistermijn overschrijdt. Tevens stelt de rechtbank de reeds verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,-. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 10 april 2026. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt het UWV op binnen vier maanden een besluit op bezwaar bekend te maken. Eiseres krijgt gelijk en het UWV moet de kosten vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank beveelt het UWV binnen vier maanden alsnog een besluit te nemen en legt een dwangsom op wegens overschrijding beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/519

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen

[stichting] , uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. N.W.J. van der Stokker-Welsink),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

het UWV.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 30 december 2024, door het UWV ontvangen op dezelfde datum, tegen het besluit van 29 oktober 2024, dat op 19 december 2024 aan eiseres werd verzonden, inhoudende de beëindiging van de loongerelateerde WGA-uitkering van [persoon] , een
(ex-)werkneemster van eiseres, per 10 december 2024 en de verlening van een
WGA-loonaanvullingsuitkering aan de (ex-)werkneemster van eiseres vanaf die datum, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 30 december 2024 en het UWV heeft het op dezelfde dag ontvangen. Het UWV moet binnen zeventien weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is. [2] Omdat het bezwaarschrift na de bezwaartermijn is ontvangen, dient de beslistermijn berekend te worden vanaf de dag nadat het bezwaarschrift is ontvangen. [3] Het UWV heeft de termijn verlengd met zes weken. [4] Daarna heeft het UWV de termijn met instemming van eiseres verlengd tot en met 28 november 2025. [5] Het UWV had dus uiterlijk op 28 november 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen het UWV moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft het UWV op 1 december 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?
4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
In het verweerschrift van 24 februari 2026 heeft het UWV uitgelegd dat vanwege het tekort aan verzekeringsartsen nog geen beoordeling van het bezwaar van eiseres heeft plaatsgevonden. Het UWV kan nog niet aangeven wanneer het een besluit kan nemen. Het UWV vraagt om een beslistermijn op te leggen van 40 weken, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift heeft ontvangen, en verwijst naar drie uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025. [6]
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt de beslissing te nemen. De rechtbank gaat niet mee in het verzoek van het UWV om een (nog) langere beslistermijn op te leggen.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?
6. Eiseres heeft verzocht om de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. [7]
6.1.
Het UWV heeft de hoogte van de bestuurlijke dwangsom (nog) niet vastgesteld. De rechtbank constateert dat uit de stukken blijkt dat de ingebrekestelling op 1 december 2025 is ontvangen en dat sinds twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen zijn verstreken. De rechtbank oordeelt dan ook dat de bestuurlijke dwangsom het maximale bedrag van € 1.442,- bedraagt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook de door het UWV al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast zoals onder 6.1. berekend.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- stelt de door het UWV te betalen bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,-;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 10 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 112, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2136, r.o. 17.2
4.Op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb.
5.Op grond van artikel 7:10, vierde lid, onder b, van de Awb.
7.Dit staat in artikel 4:17 en Pro 4:18, eerste lid, van de Awb.