ECLI:NL:RBZWB:2026:275

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
BRE 24/5401 en 24/5485 T
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 8:32 AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:51b AwbArt. 8:80a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank oordeelt dat UWV onvoldoende motiveerde oordeel over duurzaamheid arbeidsongeschiktheid werknemer

In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of het UWV terecht heeft geoordeeld dat de volledige arbeidsongeschiktheid van een werknemer per 21 juni 2023 niet duurzaam is. De werknemer was sinds juni 2019 arbeidsongeschikt en ontving een WGA-uitkering. Het UWV kende een vervolguitkering toe op basis van niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid, waartegen zowel de werkgever als de werknemer bezwaar maakten. De rechtbank behandelde het beroep van de werkgever tegen de besluiten van het UWV.

De medische beoordeling door de verzekeringsarts b&b van het UWV concludeerde dat verbetering van de belastbaarheid mogelijk is door behandeling, maar gaf geen concrete en voldoende onderbouwde motivering over de aard van de behandeling, de te verwachten doelen en het tijdspad. De rechtbank constateerde dat het UWV niet voldeed aan het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, omdat het onvoldoende inzichtelijk maakte waarom de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is, mede gelet op het bestaan van ziektebeelden zonder wetenschappelijk bewezen behandeling.

De rechtbank stelde vast dat het UWV het beoordelingskader voor duurzaamheid niet volledig en concreet had toegepast en dat de motivering niet voldeed aan de verzwaarde motiveringsplicht die geldt bij twijfel over duurzaamheid. Daarom kon het besluit niet standhouden. De rechtbank gaf het UWV de mogelijkheid om binnen acht weken het gebrek te herstellen door een nieuwe, beter gemotiveerde beslissing of aanvullende motivering, waarbij specifiek aandacht moet zijn voor concrete behandelingen, behandeldoelen en een tijdspad.

De uitspraak is een tussenuitspraak, waarbij verdere beslissingen en proceskosten worden aangehouden tot de einduitspraak. De rechtbank benadrukte het belang van een zorgvuldige en transparante besluitvorming door het UWV bij de beoordeling van duurzame arbeidsongeschiktheid.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is en stelt het UWV in de gelegenheid dit te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 24/5401 en 24/5485 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen

de besloten vennootschap [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. C.J.M. de Wit),
en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV.

Procesverloop

1. Bij besluit van 22 maart 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV aan een voormalige werknemer van eiseres (werknemer), met ingang van 21 juni 2023, een WGA-vervolguitkering [1] toegekend op basis van arbeidsongeschiktheidsklasse 45%-55% arbeidsongeschiktheid. Zowel eiseres als de werknemer hebben (apart van elkaar) bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
1.1.
Met de bestreden besluiten van 7 mei 2024 (bestreden besluit I) en 13 mei 2024 (bestreden besluit II) heeft het UWV beide bezwaarschriften gegrond verklaard. Het UWV heeft in de bestreden besluiten I en II aan de werknemer, met ingang van 21 juni 2023, een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend op basis van volledige, maar niet-duurzame arbeidsongeschiktheid. Het bestreden besluit I betrof de bezwaarprocedure van eiseres en het bestreden besluit II betrof de bezwaarprocedure van de werknemer. Eiseres heeft tegen zowel het bestreden besluit I als het bestreden besluit II beroep ingesteld. Het UWV heeft in de beroepsprocedures een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, die vergezeld werd door [verzekeringsarts] . Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.A.C. de Bruijn als waarnemend gemachtigde.
1.3.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.
1.4.
Werknemer heeft geen toestemming verleend om eiseres kennis te laten nemen van stukken die medische gegevens bevatten. Met de beslissingen van 17 december 2024,
22 mei 2025 en 27 augustus 2025 heeft de rechtbank, met toepassing van artikel 8.32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaald dat eiseres van in die beslissingen nader genoemde stukken geen kennis mag nemen en dat kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is. Omdat werknemer geen toestemming heeft gegeven om medische gegevens aan eiseres te verstrekken, wordt het vermelden van specifieke, op werknemer betrekking hebbende medische gegevens zoveel mogelijk vermeden.

Beoordeling

Omvang van het geschil
2. In overweging 1.1 is aangehaald dat eiseres beroep heeft ingesteld tegen beide bestreden besluiten. Uiteindelijk zijn, door verschillende partijen, meerdere rechtsmiddelen tegen het primaire besluit ingediend, met als resultaat dat het UWV twee beslissingen op bezwaar heeft genomen met dezelfde inhoud en strekking. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van één materieel besluit, waartegen alleen eiseres beroep heeft ingesteld (en eiseres is belanghebbende bij beide bestreden besluiten). Om proceseconomische redenen zal de rechtbank beide beroepen dan ook gevoegd behandelen.
3. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid van de werknemer. De rechtbank moet beoordelen of het UWV in de bestreden besluiten I en II op goede gronden heeft geoordeeld dat de volledige arbeidsongeschiktheid van de werknemer per 21 juni 2023 niet duurzaam is.
Feiten en omstandigheden
4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. De werknemer is werkzaam geweest als machineoperator voor 45,66 uur per week. Hij is op 24 juni 2019 voor dat werk uitgevallen met lichamelijke klachten. Na afloop van de wachttijd heeft het UWV, aan de werknemer, van 21 juni 2021 tot 21 juni 2023, een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op basis van 52,38% arbeidsongeschiktheid. Hieraan is onder meer de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 25 mei 2021 ten grondslag gelegd.
De werknemer heeft op 25 december 2022 aan het UWV gemeld dat zijn klachten per
22 maart 2022 zijn toegenomen. Voor de periode na afloop van de loongerelateerde periode is in het primaire besluit van 22 maart 2023 per 21 juni 2023 een WGA-vervolguitkering op basis van arbeidsongeschiktheidsklasse 45%-55% toegekend. Eiseres en werknemer hebben bezwaar gemaakt tegen dit primaire besluit. Hangende de bezwaarprocedure tegen het primaire besluit heeft het UWV, bij besluit van 4 december 2023, bepaald dat de werknemer vanaf 22 maart 2022 volledig arbeidsongeschikt is. In de bestreden besluiten is bepaald dat werknemer vanaf 21 juni 2023 een WGA-loonaanvullingsuitkering krijgt. Werknemer wordt 100% arbeidsongeschikt geacht.
Verzekeringsgeneeskundige beoordeling
5. De bestreden besluiten, voor zover die zien op de medische beoordeling, zijn gebaseerd op rapporten van een arts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
[arts] heeft dossieronderzoek verricht en heeft werknemer op het spreekuur gezien. In de rapportage van 29 november 2023 concludeert hij dat bij werknemer sprake is van meerdere ziektebeelden. Er is voorts sprake van geen benutbare mogelijkheden per
22 maart 2022 en per 23 juni 2023. Er is geen sprake van duurzaamheid, omdat de belastbaarheid wezenlijk zou kunnen toenemen middels nog te volgen behandeling. De verwachting van verbetering van de belastbaarheid is redelijk tot goed. Dit is ook neergelegd in de FML van 29 november 2023.
De verzekeringsarts b&b heeft dossieronderzoek verricht, werknemer op het spreekuur gezien en psychisch en lichamelijk onderzoek verricht. In de rapportage van 6 mei 2024 wordt geconcludeerd dat er geen verzekeringsgeneeskundige gronden zijn om van het oordeel van de primaire arts af te wijken. Er is verbetering mogelijk middels gespecialiseerde behandeling en een revalidatietraject.
Een aantal met name genoemde beperkingen worden als duurzaam aangemerkt, waarbij verwezen wordt naar de beperkingen die in de FML van 25 mei 2021 zijn opgenomen.
Beroepsgronden en verweer
6. Eiseres voert in beroep aan dat de verzekeringsarts b&b ontoereikend en onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd heeft waarom de werknemer niet ook duurzaam arbeidsongeschikt is. Eiseres wijst in dit verband op het beoordelingskader Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen (Beoordelingskader). Zo is er volgens eiseres sprake van meerdere ziektebeelden die diverse klachten en beperkingen veroorzaken en van een deel van die beperkingen staat vast dat deze duurzaam zijn. Voor andere beperkingen neemt de verzekeringsarts b&b aan dat de beperkingen na behandeling verdwijnen, maar die inschatting is volgens eiseres onvoldoende gemotiveerd. Zo is er geen rekening mee gehouden dat een eerdere behandeling niet tot herstel heeft geleid en is er ook geen informatie beschikbaar over een in te zetten of geadviseerde behandeling die een meer dan geringe kans op verbetering van de functionele belastbaarheid biedt. Het had op de weg van de verzekeringsarts gelegen om bij de behandelend sector nadere informatie in te winnen Daarbij komt dat nu ook sprake is van een ziektebeeld waarvoor geen wetenschappelijk bewezen behandeling bekend is en die tot duurzame beperkingen leidt.
6.1.
Het UWV stelt dat de werknemer in de bestreden besluiten I en II terecht niet als duurzaam arbeidsongeschikt is beschouwd en verwijst in beroep naar de rapportage van de verzekeringsarts b&b van 22 juli 2025.
In die rapportage overweegt de verzekeringsarts b&b dat in de rapportage van 6 mei 2024 is aangegeven welke beperkingen duurzaam zijn en dat de FML van 20 mei 2021 dienst kan doen als fictieve FML voor de bottleneckanalyse. Ten aanzien van de psychische klachten is met adequate behandeling en over tijd verbetering te verwachten. Op fysiek vlak kan over tijd deels verbetering verwacht worden.
In beroep is door de arbeidsdeskundige van het UWV een zogenaamde bottle neckanalyse verricht, waarbij aan de hand van de duurzaam geachte beperkingen de mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld. Daarbij is geconcludeerd dat per 21 juni 2023 met de duurzaam geachte beperkingen sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, te weten 51,32%.
Beoordeling duurzaamheid
7. Artikel 4, tweede en derde lid, van de Wet WIA bepaalt dat onder duurzame arbeidsongeschiktheid enerzijds (tweede lid) een medisch stabiele of verslechterende situatie wordt verstaan en anderzijds (derde lid) een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
Bij de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid maakt het UWV gebruik van het stappenplan dat in het Beoordelingskader is opgenomen. Uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [2] volgt dat het Beoordelingskader een hulpmiddel is voor een zorgvuldige, consistente en onderbouwde besluitvorming. Dat laat onverlet dat de CRvB het volgen van het stappenplan wenselijk acht [3] . Naar vaste rechtspraak [4] geldt bij een bezwaar of beroep van de werkgever (zoals hier het geval is) dat het UWV zijn beslissing zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk motiveert, zodanig dat eiseres de mogelijkheid heeft om overtuigd te raken van de juistheid van de beslissing en eventueel te komen tot een gemotiveerde bestrijding.
Als
eerste stapvan het stappenplan beoordeelt de verzekeringsarts of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Onder herstel wordt dan verbetering van de functionele mogelijkheden (en daarmee de belastbaarheid) verstaan. Bij een progressief ziektebeeld zonder behandelingsmogelijkheden of een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden is geen sprake van herstel. Als de eerste stap niet leidt tot de kwalificatie van duurzame arbeidsongeschiktheid, is verbetering van de belastbaarheid niet uitgesloten en volgt de tweede stap.
Bij de
tweede stapbeoordeelt de verzekeringsarts in hoeverre die verbetering in het eerstkomende jaar kan worden verwacht. Er is ofwel een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden dan wel is verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks te verwachten. Indien in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks verbetering van de belastbaarheid verwacht kan worden, beoordeelt de verzekeringsarts of, en zo ja, in hoeverre, de verbetering van de belastbaarheid na het eerstkomende jaar nog kan worden verwacht (de
derde stap).
Dan zijn er weer twee mogelijkheden, namelijk dat verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks te verwachten is dan wel dat er een redelijke of goede verwachting is dat de belastbaarheid zal verbeteren. Maar hiervan is alleen sprake bij een behandeling, waarvan vaststaat dat die eerst op langere termijn kan zijn gericht op verbetering van de belastbaarheid.
7.1.
De rechtbank leidt uit het dossier af dat de werknemer in de periode hangende bezwaar, door zijn behandelaar naar een andere behandelaar is doorverwezen. De aangeboden behandeling had onvoldoende resultaat. Het dossier bevat geen informatie over de nieuwe behandeling, maar de verzekeringsarts b&b oordeelt zowel in bezwaar als in beroep dat een volledig herstel van deze beperkingen verwacht kan worden, gelet op de verwijzing en de te volgen behandeling.
Voor wat betreft de fysieke beperkingen geldt dat het UWV een deel van deze beperkingen als duurzaam beschouwt. Het UWV verwijst in het kader hiervan naar de op 21 mei 2021 opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De overige lichamelijke klachten beschouwt het UWV niet als duurzaam, omdat de werknemer zich hiervoor nog onder behandeling zou kunnen stellen. Eiseres voert voor deze klachten aan dat deze (deels) worden veroorzaakt door een ziektebeeld, waarvoor geen behandeling mogelijk is.
7.2.
Uitgangspunt is dat de verzekeringsarts het Beoordelingskader gebruikt bij de beoordeling van de duurzaamheid. Het niet zetten van alle stappen van het Beoordelingskader betekent niet dat de besluitvorming reeds om die reden onzorgvuldig is, maar dan moet de motivering wel berusten op een concrete en duidelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn en daar is in deze zaak (nog) geen sprake van. Voor zover bij de lichamelijke en psychische beperkingen de duurzaamheid tussen partijen in het geding is, verwijst de verzekeringsarts b&b naar de mogelijkheden van behandeling. Evenwel laat de verzekeringsarts b&b, voor beide typen beperkingen, na om dit concreet en toereikend te onderbouwen, terwijl op grond van de rechtspraak hiervoor een verzwaarde motiveringsplicht geldt. Er moet sprake zijn van een concrete behandeling met concreet in te schatten doelen/te behalen resultaten en er moet gemotiveerd worden in hoeverre de belastbaarheid van de werknemer hierdoor zal toenemen. Bovendien mist de rechtbank een duidelijk tijdspad. De verzekeringsarts b&b heeft wel in zijn algemeenheid gesteld dat beoordeeld dient te worden of verbetering te verwachten valt in het eerstkomend jaar of daarna, maar heeft niet nader gemotiveerd op welke termijn verbetering wordt verwacht. Daarbij komt dat uit de brief van
5 september 2023 blijkt dat sprake is van forse wachttijden. Onduidelijk is of het UWV hiermee rekening heeft gehouden. Daarnaast is in de motivering niet aangegeven hoe de verzekeringsarts b&b de gronden van eiseres – dat de (fysieke) beperkingen voortvloeien uit een ziekteoorzaak, waarvoor geen behandeling voorhanden is – heeft gewogen. Onduidelijk is gebleven of het UWV het standpunt deelt dat sprake is van dit ziektebeeld. Eveneens is onduidelijk, welke specifieke beperkingen hieruit volgens het UWV voortvloeien, van welke beperkingen de verzekeringsarts b&b middels een revalidatietraject verbetering verwacht en op welke termijn en of en op welke wijze dit ziektebeeld volgens het UWV van invloed is op de andere ziektebeelden.
Naar het oordeel van de rechtbank is het standpunt van het UWV over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid van de werknemer op datum in geding onvoldoende zorgvuldig genomen en onvoldoende gemotiveerd. Dit betekent dat de beroepen van eiseres slagen. De bestreden besluiten kunnen geen stand houden.
7.3.
Zoals hiervoor is geoordeeld, zijn de bestreden besluiten in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het UWV in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het UWV opnieuw motiveren waarom er op datum in geding geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. In het bijzonder moet de verzekeringsarts b&b motiveren welke concrete behandeling(en)/therapie(ën) per type beperking geschikt zijn voor de werknemer, welke behandeldoelen hiermee bereikt kunnen worden en in hoeverre de belastbaarheid van de werknemer daardoor naar verwachting zal toenemen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
7.4.
Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het UWV gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
7.5.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het UWV op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het UWV in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak, in het bijzonder rechtsoverwegingen 7.2 en 7.3;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is op 21 januari 2026 gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Artikel 4:
1. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
2. In het eerste lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.
3. Onder duurzaam wordt mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
Beoordelingskader van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen (Beoordelingskader)
Het Beoordelingskader kent de volgende uitgangspunten:
Er is sprake van duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen indien:
  • verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten; of
  • verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks is te verwachten.
De verzekeringsarts doorloopt bij voornoemd oordeel omtrent de duurzaamheid de volgende stappen:
Stap 1: De verzekeringsarts beoordeelt of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Dat is het geval als sprake is van:
  • een progressief ziektebeeld zonder behandelingsmogelijkheden; of
  • een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden.
Stap 2: Als verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten, beoordeelt de verzekeringsarts in hoeverre die verbetering in het eerstkomende jaar kan worden verwacht. De verzekeringsarts gaat na of één van de twee mogelijkheden aan de orde is:
  • a: er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden;
  • b: verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten.
Als voor de keuze tussen a en b doorslaggevende argumenten ontbreken, gaat de verzekeringsarts uit van een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden.
Stap 3: Als in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks verbetering van de belastbaarheid kan worden verwacht (variant 2b) beoordeelt de verzekeringsarts of, en zo ja, in hoeverre, die na het eerstkomende jaar nog kan worden verwacht. Ook nu zijn er twee mogelijkheden:
  • a: er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden; dit is alleen het geval als van een behandeling vaststaat dat die eerst op langere termijn kan zijn gericht op verbetering van de belastbaarheid;
  • b: verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten: alle overige gevallen.

Voetnoten

1.Op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
2.CRvB 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896.
3.CRvB 16 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK7027.
4.Bijvoorbeeld CRvB 30 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3776 en CRvB 6 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4292.