Op 21 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan op een klaagschrift van een klager, die zich richtte tegen het beslag dat was gelegd op zijn telefoons en cryptovaluta. De procedure begon met een zitting op 7 januari 2026, waar de officier van justitie, de klager en zijn waarnemend raadsvrouw, mr. F.T.J. Stoof, aanwezig waren. De klager verzocht om opheffing van het beslag op twee laptops, twee telefoons en cryptovaluta, met het argument dat hij persoonlijk belang had bij de teruggave en dat het beslag al geruime tijd voortduurde. De rechtbank oordeelde dat het beslag op de telefoons moest voortduren, omdat er nog onderzoek moest plaatsvinden in het kader van een witwasverdenking. De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond, omdat het strafvorderlijk belang bij het beslag op de telefoons bleef bestaan. Wat betreft de cryptovaluta, oordeelde de rechtbank dat er een verdenking van witwassen was en dat het niet onwaarschijnlijk was dat de rechter later de verbeurdverklaring zou bevelen. De rechtbank verwierp ook het verzoek om een deel van de nettowaarde van de cryptovaluta terug te geven voor levensonderhoud, omdat klager niet had aangetoond dat hij niet in staat was om op andere manieren inkomsten te genereren. De rechtbank verklaarde het klaagschrift tegen het beslag op zowel de telefoons als de nettowaarde van de cryptovaluta ongegrond. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer, met mr. R.J.H. de Brouwer als voorzitter, en is op dezelfde dag openbaar uitgesproken.