ECLI:NL:RBZWB:2026:2484

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
BRE - 23 _ 10691
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 6:12 AwbArt. 27h, derde lid, AWRArt. 28, zevende lid, AWR
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €4.780 opgelegd door de inspecteur. De inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Belanghebbende stelde ook beroep in wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar.

De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat een ingebrekestelling is verzonden, waardoor het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is. Vervolgens beoordeelt de rechtbank de inhoudelijke juistheid van de naheffingsaanslag. De inspecteur baseert zich op een hertaxatie door DRZ, die een hogere BPM-schuld vaststelt dan belanghebbende met zijn taxatierapport.

De rechtbank stelt vast dat de koerslijst van DRZ beter aansluit bij de feitelijke uitvoering van de auto en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De naheffingsaanslag is daarom terecht en juist opgelegd.

Verder kent de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €1.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn met ruim een jaar. De vergoeding wordt verdeeld tussen de inspecteur en de Staat. Ook worden proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding toegekend.

De rechtbank verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond en wijst het beroep wegens niet tijdig beslissen af. De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink.

Uitkomst: Beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk, beroep tegen naheffingsaanslag ongegrond, immateriële schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10691

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd in [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende dat ziet op (i) het door de inspecteur niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) en (ii) de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 januari 2024 op het bezwaar tegen die naheffingsaanslag.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag Bpm opgelegd van € 4.780 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

( i)
Het beroep wegens niet tijdig beslissen
Vooraf: artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
2. De rechtbank heeft geconstateerd dat bijlagen 5 en 6 bij het verweerschrift van de inspecteur met betrekking tot het beroep niet tijdig beslissen zwartgelakte passages bevatten. Het betreft een verslag van een telefoongesprek tussen partijen op 12 oktober 2023 en e‑mailcorrespondentie die daaraan vooraf is gegaan over ingebrekestellingen en aanvullende informatie over ingediende ingebrekestellingen in meerdere dossiers. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard daar geen bezwaar tegen te hebben. Gelet op de toelichting en het feit dat belanghebbende geen bezwaar heeft geuit tegen het inbrengen van de bijlagen, ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding om aan de inbreng van die zwartgelakte passages gevolgen te verbinden.
Ingebrekestelling
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). [1] Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
3.1.
De inspecteur heeft de ontvangst van een ingebrekestelling gemotiveerd betwist. De gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat hij geen bewijs van verzending heeft van deze ingebrekestelling, alleen dat de ingebrekestelling in een badge van 20 ingebrekestellingen is verzonden.
3.2.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ingebrekestelling aan de inspecteur is verzonden. Nu de inspecteur niet in gebreke is gesteld, voldoet het beroep niet aan de voorwaarden. De rechtbank verklaart het beroep van belanghebbende daarom niet-ontvankelijk voor zover deze is gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
Dwangsom
3.3.
Belanghebbende heeft ter zitting verklaard niet langer aanspraak te maken op een vergoeding van een dwangsom.
(ii)
Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar
4. Het beroep heeft als uitgangspunt van rechtswege mede betrekking op het alsnog genomen besluit van de inspecteur. De rechtbank zal hierna beoordelen of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd.

Feiten

5. Belanghebbende heeft op 23 mei 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Mercedes Benz GLC-klasse 43 AMG 4MATIC met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 8.949.
5.1.
Belanghebbende heeft de auto op 13 mei 2022 in Duitsland gekocht voor € 59.500. Op de aankoopfactuur is vermeld dat de auto geen ongevalschade heeft opgelopen maar wel gebruiksschade heeft die past bij de leeftijd/kilometers van de auto.
5.2.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
5.3.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 13.729 bedraagt en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd.

Overwegingen

Toepassing koerslijst
5.4.
De bewijslast voor de hoogte van de afschrijving rust op belanghebbende. Belanghebbende bepleit toepassing van de taxatiemethode en is in haar aangifte uitgegaan van een koerslijst van XRay met een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 52.733 en een historische nieuwprijs van € 137.900.
5.5.
De hertaxateur van DRZ is eveneens uitgegaan van een koerslijst van XRay maar die vermeldt een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 51.710 en een historische nieuwprijs van € 128.650. De inspecteur heeft gesteld dat de koerslijst van XRay die door belanghebbende is overgelegd niet kan worden gebruikt omdat de taxateur de koerslijst XRAY onjuist heeft ingevuld door een totaalbedrag als overige opties op te nemen en omdat de taxateur opties dubbel heeft opgenomen en opties heeft opgenomen die volgens de VIN-gegevens niet aanwezig zijn. De koerslijst klopt niet wat betreft de cruise control, elektrisch verstelbare stoelen, stoelenpakket, lederen bekleding, rondomzicht camera en trekhaak. De koerslijst van DRZ is gebaseerd op de VIN-gegevens van deze auto, aldus de inspecteur.
5.6.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de door hem bepleite handelsinkoopwaarde niet aan de hand van de koerslijst van XRay aannemelijk heeft gemaakt omdat er een koerslijst is die beter aansluit bij de feitelijke uitvoering van de auto.
5.7.
Gelet op het vorenoverwogene stelt de rechtbank de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vast op € 51.710 en een historische nieuwprijs van € 128.650, zoals vermeld in de koerslijst XRay van DRZ.
Waardevermindering wegens schade
5.8.
Belanghebbende gaat uit van de taxatiemethode. De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 13.333 en deze voor 85% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. De taxateur heeft naast schade ook rekening gehouden met een aftrek van € 5.273 wegens schadeverleden. De hertaxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
5.9.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport, de aankoopfactuur en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto destijds ruim twee jaar oud was en 21.798 kilometer had gereden. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Verder heeft belanghebbende voor een waardevermindering wegens een schadeverleden geen onderbouwing gegeven en dus ook niet aannemelijk gemaakt. Al hetgeen de inspecteur met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer.
Conclusie
5.10.
De naheffingsaanslag is terecht en naar het juiste bedrag opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
5.11.
Belanghebbende heeft op 6 november 2023 verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
5.12.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 13 december 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 1 april 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond een jaar en 4 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
5.13.
Omdat de bezwaarfase afgerond 13 maanden heeft geduurd en daarmee 7 maanden te lang komt € 656 (7/16e) voor de rekening van de inspecteur en de rest (€ 844) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep wegens niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
6.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [2] , wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.
6.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [3] , maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 656;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 844;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier. De griffier is verhinderd te tekenen.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [4]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
3.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.
4.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.