ECLI:NL:RBZWB:2026:2476

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
BRE - 23 _ 11866
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 10, zevende lid, Wet BPM
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM en interne compensatie bij ex-leaseauto

Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag BPM ontvangen omdat de inspecteur oordeelde dat de in de aangifte vermelde historische bruto BPM te laag was. De rechtbank beoordeelt of de aanslag en belastingrente terecht zijn vastgesteld.

De kern van het geschil betreft de waardering van een Renault Grand Scénic met leaseverleden, waarbij belanghebbende de auto als ex-rental wilde aanmerken om een lagere koerslijst toe te passen. De rechtbank oordeelt dat een leaseverleden niet gelijkstaat aan een huurverleden en dat de auto daarom niet als ex-rental kan worden aangemerkt. De door de inspecteur gehanteerde koerslijst is passend.

Verder is er discussie over een extra leeftijdskorting en het beroep van de inspecteur op interne compensatie. De rechtbank volgt de inspecteur en stelt dat de taxatiemethode niet juist is toegepast en dat de interne compensatie leidt tot handhaving van de naheffingsaanslag.

Belanghebbende verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert een overschrijding van 15 maanden, maar wijst de vergoeding af vanwege beperkte impact en het ontbreken van bijzondere omstandigheden.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, handhaaft de naheffingsaanslag en belastingrente, en wijst het verzoek om schadevergoeding en proceskosten af.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de naheffingsaanslag BPM en belastingrente.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11866

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 634 en bij gelijktijdige beschikking € 2 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht en niet tot te hoge bedragen heeft vastgesteld. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 813 aan Bpm voldaan ter zake van de registratie van het motorrijtuig Renault Grand Scénic 1.3 TCe Intens 7p. met VIN nummer [VIN nummer] (de auto).
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft op basis van hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat in de aangifte een te laag aan historische bruto Bpm is vermeld en de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 1.448. Vervolgens heeft de inspecteur de naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd (zie 1.1).

Motivering

Vooraf
Artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
4. De rechtbank heeft geconstateerd dat bijlage 9 bij het verweerschrift van de inspecteur zwartgelakte passages bevat. Het betreft de stukken die zien op het horen in de bezwaarfase. Uit de context van de stukken maakt de rechtbank op dat de zwartgelakte passages informatie over andere belastingplichtigen betreft, welke informatie niet relevant is voor deze zaak. Gelet hierop en het feit dat belanghebbende geen bezwaar heeft geuit tegen het inbrengen van de bijlage, ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding om aan de inbreng van die zwartgelakte passages gevolgen te verbinden.
Nieuwe gronden ter onderbouwing van de naheffingsaanslag
4.1.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur in beroep ten onrechte nieuwe gronden aanvoert ter onderbouwing van de naheffingsaanslag. Zij voert aan dat zij aan de uitspraak op bezwaar het vertrouwen mocht ontlenen dat het geschil zich beperkte tot de vraag of sprake is van een ex-rental. Het aanvoeren van nieuwe gronden, meer in het bijzonder het beroep van de inspecteur op interne compensatie, is volgens belanghebbende in strijd met het vertrouwensbeginsel en de goede procesorde.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat het de inspecteur in beginsel vrijstaat om bij een geschil over een naheffingsaanslag in de bezwaarfase of voor de rechter ter onderbouwing van die aanslag andere gronden aan te voeren dan hij eerder had gedaan. Dit is slechts anders voor zover een beroep op die gronden ondubbelzinnig is prijsgegeven, of die gronden worden aangevoerd onder zodanige omstandigheden dat behandeling ervan zou leiden tot een inbreuk op een goede procesorde. [1] Het dossier biedt naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunt voor de aanwezigheid van een van deze uitzonderingsgevallen. Van een schending van het vertrouwensbeginsel of de goede procesorde door de inspecteur is geen sprake.
De naheffingsaanslag
5. Partijen zijn het erover eens dat de historische bruto Bpm van de auto € 7.022 bedraagt en in de aangifte ten onrechte een historische bruto Bpm van € 3.946 is vermeld. Partijen zijn het er ook over eens dat belanghebbende recht heeft op een extra leeftijdskorting van € 90 en dat deze bij het opleggen van de naheffingsaanslag ten onrechte niet is verleend. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de inspecteur in dat verband een beroep kan doen op interne compensatie. Verder is in geschil of de naheffingsaanslag moet worden verminderd op grond van de herleidingsmethode en/of door gebruik van de koerslijst Xray ex-rental in plaats van de door de inspecteur gehanteerde koerslijst van AutotelexPro.
Herleidingsmethode
6. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [2] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
6.1.
Belanghebbende stelt dat voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat de koerslijst van Xray kan worden toegepast, waarin ‘ex-rental’ is aangevinkt. Volgens belanghebbende moet de auto als ex-rental worden aangemerkt omdat het een ex-leaseauto betreft. Ter onderbouwing heeft zij een inkoopfactuur en een kentekenbewijs overgelegd. De inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat de auto kan worden aangemerkt als ‘ex-rental’.
6.2.
De rechtbank acht, op basis van de inkoopfactuur en het kentekenbewijs, aannemelijk dat de auto een leaseverleden heeft. Dit betekent echter niet automatisch dat de auto als ‘ex-rental’ kan worden aangemerkt. Een ex-rental is naar zijn aard een auto met een huurverleden. Een leaseverleden is als uitgangspunt niet daarmee gelijk te stellen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat huurauto’s doorgaans voor korte perioden en door wisselende bestuurders worden gebruikt, terwijl leaseauto’s in de regel voor langere tijd aan één gebruiker zijn verbonden. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in dit geval anders is. De overgelegde stukken zijn daarvoor onvoldoende. De auto kan daarom niet als ‘ex-rental’ worden aangemerkt, zodat de koerslijst van belanghebbende niet kan worden gebruikt. Tussen partijen is dan niet in geschil dat de koerslijst van AutotelexPRO, die door de inspecteur is gehanteerd, wel kan worden gebruikt.
Extra leeftijdskorting / interne compensatie
6.3.
Partijen zijn het erover eens dat belanghebbende recht heeft op een extra leeftijdskorting van € 90. De inspecteur heeft echter ter zake van deze extra leeftijdskorting een beroep gedaan op interne compensatie. Volgens de inspecteur is bij het vaststellen van de naheffingsaanslag ten onrechte de taxatiemethode toegepast. Daarnaast betwist de inspecteur het bedrag van € 7.489 aan schade.
6.4.
De rechtbank volgt de inspecteur hierin. Belanghebbende heeft aan de hand van het taxatierapport en de foto’s – tegenover de betwisting van de inspecteur – niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De taxatiemethode had dus niet mogen worden toegepast. [3] Het beroep op interne compensatie slaagt. Het bedrag aan bpm dat extra verschuldigd is als de schade niet wordt meegenomen overtreft de extra leeftijdskorting ruimschoots, zodat het in aanmerking nemen van extra leeftijdskorting als gevolg van interne compensatie niet tot een vermindering van de naheffingsaanslag leidt. De naheffingsaanslag blijft dus in stand.
Vergoeding van immateriële schade
7. Belanghebbende heeft in het beroepschrift van 15 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 12 januari 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 1 april 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 15 maanden overschreden.
7.2.
De rechtbank ziet evenwel geen aanleiding voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding. De Hoge Raad heeft beslist dat in gevallen waarbij het financiële belang minder bedraagt dan € 1.000 en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Bij een overschrijding van meer dan twaalf maanden beslist de rechter naar bevind van zaken. [4] Het in het arrest geformuleerde overgangsrecht is niet van toepassing, omdat de redelijke termijn nog niet was overschreden op 14 juni 2024. De rechtbank komt na een afweging van de belangen en omstandigheden tot het oordeel dat in dit geval ook kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de overschrijding maar drie maanden langer dan twaalf maanden is, belanghebbende een professioneel autobedrijf is voor wie een financieel belang van € 634 over het algemeen beperkte impact heeft en ook niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die extra spanning en frustratie hebben opgeleverd.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende heeft geen recht op een immateriële schadevergoeding. Belanghebbende heeft geen recht op een vergoeding van proceskosten of het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om een vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 1 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:822.
2.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
3.Artikel 10, zevende lid, van de Wet BPM.
4.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.