Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2412

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
11526445 \ MB VERZ 25-188
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing beroep tegen verkeersboete wegens overschrijding redelijke termijn

Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd voor het parkeren van een voertuig in een plantsoen op 2 november 2023. Betrokkene stelde dat de boete onredelijk was omdat de ANWB het voertuig op een andere locatie had achtergelaten dan afgesproken.

De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, maar verzocht wel om matiging van de boete vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststond en de boete terecht was opgelegd, maar dat de overschrijding van de redelijke termijn een matiging rechtvaardigde.

De boete werd daarom met 25% verminderd tot € 82,50 plus administratiekosten. Tevens werd de officier van justitie opgedragen het teveel betaalde bedrag van € 27,50 terug te betalen. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De boete wordt gematigd met 25% vanwege overschrijding van de redelijke termijn en het teveel betaalde bedrag wordt terugbetaald.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 11526445 \ MB VERZ 25-188
CJIB-nummer : [cjib-nummer]
uitspraakdatum : 18 februari 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 18 februari 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. S.V. Oedayrajsingh Varma (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: voertuig laten staan in park, plantsoen, openbare beplantingen of groenstroken op de Fazantstraat te Oosterhout op 2 november 2023 om 10.02 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. De auto van betrokkene is op 31 oktober 2023 door de ANWB weggesleept. De ANWB zou de auto van betrokkene naar de garage brengen (aan de Fazantstraat), maar heeft het voertuig op de pleeglocatie achtergelaten.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep deels gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Betrokkene heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waarom het voertuig door de ANWB op de pleeglocatie is achtergelaten. De zittings-vertegenwoordiger verzoekt wel de boete te matigen met 25% omdat de redelijke termijn is overschreden, maar het beroep voor het overige ongegrond te verklaren.

Overwegingen

Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Betrokkene betwist de gedraging ook niet. De boete is dus terecht opgelegd.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om de boete te matigen, nu niet duidelijk is geworden waarom het voertuig op de pleeglocatie is achtergelaten.
Overschrijding redelijke termijn
Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de redelijke termijn overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 82,50, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 27,50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.V. van Aardenne, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E.H. de Vries, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: