Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar door de Dienst Toeslagen, nadat de rechtbank in een eerdere uitspraak van 15 augustus 2025 verweerder had opgedragen binnen twee weken te beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is, omdat verweerder niet binnen de gestelde termijn heeft beslist. De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van twee weken op, aansluitend bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, en bepaalt een dwangsom van €250 per dag met een maximum van €37.500.
Verder verklaart de rechtbank zich onbevoegd om de rechterlijke dwangsom vast te stellen die voortvloeit uit de eerdere uitspraak en wijst erop dat eiseres zich daarvoor tot de burgerlijke rechter moet wenden. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.