Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2164

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/3085
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.S.S. Obispo
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbArt. 6:22 AwbArt. 7:2 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen ontheffing verzekeringsplicht niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding, onterecht afgezien van hoorzitting

Eiseres diende een aanvraag in voor ontheffing van de verzekeringsplicht volksverzekeringen, die werd toegewezen met ingang van 31 januari 2024. Eiseres was het niet eens met deze ingangsdatum en maakte bezwaar, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend. Eiseres stelde dat zij zich niet gehoord voelde en wilde een hoorzitting.

De rechtbank oordeelt dat het bestuursorgaan onterecht heeft afgezien van het houden van een hoorzitting, omdat eiseres ondubbelzinnig had aangegeven gehoord te willen worden en het bestuursorgaan onvoldoende moeite heeft gedaan om een passende locatie te regelen. Dit gebrek leidt echter niet tot schending van belangen, omdat eiseres haar standpunt alsnog in beroep heeft kunnen toelichten.

De termijnoverschrijding van het bezwaar is niet verschoonbaar, omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij tijdig bezwaar had ingediend. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, maar de SVB moet het griffierecht aan eiseres vergoeden vanwege het geconstateerde gebrek in de bezwaarprocedure.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van de SVB blijft in stand, maar de SVB moet het griffierecht aan eiseres vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3085

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

en

de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Utrecht, de SVB.

Samenvatting

1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend tot ontheffing van de verzekeringsplicht volksverzekeringen. Deze aanvraag is toegewezen, met ingang van 31 januari 2024. Eiseres is het niet eens met de ingangsdatum van de ontheffing. Het bezwaar tegen deze beslissing is niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze niet tijdig is ingediend. In beroep voert eiseres aan zich niet gehoord te voelen door de SVB. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk is verklaard
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is gegrond. Wel is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gebrek, omdat onterecht is afgezien van het houden van een hoorzitting. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of terecht is afgezien van het houden van een hoorzitting en of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend tot ontheffing van de verzekeringsplicht volksverzekeringen. De SVB heeft deze aanvraag met het besluit van 2 augustus 2024 toegewezen, per 31 januari 2024. Op 24 februari 2025 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.1.
Met het bestreden besluit van 26 mei 2025 is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiseres deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
3. Op 24 februari 2025 stuurt eiseres een bericht naar de SVB, waarin zij aangeeft hen eind augustus 2024 een brief te hebben gestuurd. Eiseres is het er niet mee eens dat de ontheffing met ingang van 31 januari 2024 is toegekend en niet met terugwerkende kracht, zoals zij had aangevraagd.
3.1.
Het bericht van eiseres wordt door de SVB aangemerkt als bezwaar. Eiseres wordt vervolgens gevraagd om aanvullende informatie aan te leveren, waaronder een schriftelijke verklaring waarom het bezwaar niet tijdig is ingediend. De bezwaartermijn liep namelijk tot 14 september 2024.
3.2.
Op 17 april 2025 levert eiseres een deel van de gevraagde informatie aan. Eiseres geeft in een handgeschreven brief aan op 26 augustus 2024 een brief te hebben gestuurd naar de SVB. Zij heeft geen kopie van deze brief, maar heeft voor zichzelf wel opgeschreven dat zij die brief heeft verzonden. Verder geeft eiseres aan een hoorzitting te willen.
3.3.
Op 2 mei 2025 wordt eiseres telefonisch het voornemen medegedeeld dat haar bezwaar niet-ontvankelijk zal worden verklaard, omdat zij geen geldige reden heeft gegeven voor niet tijdig maken van bezwaar. Besproken wordt dat de hoorzitting – waar eiseres nog steeds gebruik van wil maken – in Breda zal worden gehouden. Op 9 mei 2025 wordt aan eiseres telefonisch medegedeeld dat het lastig wordt om de hoorzitting in Breda te plannen en wordt gevraagd of het voor haar een optie is om naar Nijmegen te komen. Vervolgens wordt afgesproken dat de hoorzitting niet door zal gaan en dat eiseres in plaats daarvan nog een kans krijgt om schriftelijk aan te geven waarom zij te laat was met het indienen van bezwaar.
3.4.
Op 19 mei 2025 stuurt eiseres een brief naar de SVB. Hierin geeft zij een verklaring over waarom zij niet tijdig de ontheffing heeft aangevraagd. Een verklaring voor de overschrijding van de bezwaartermijn wordt niet gegeven.
3.5.
Op 26 mei 2025 wordt het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze niet tijdig is ingediend. Eiseres heeft geen geldige reden gegeven voor het te laat indienen van het bezwaar, waardoor de SVB geen geldige reden ziet om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De brief die eiseres op 26 augustus 2024 heeft verstuurd heeft de SVB niet ontvangen. Het had op de weg van eiseres gelegen hierover contact op te nemen.
3.6.
Had er een hoorzitting plaats moeten vinden?
4. Het bestuursorgaan dient belanghebbenden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, alvorens een beslissing op bezwaar te nemen. Dit is een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure. Slechts in de gevallen genoemd in artikel 7:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan hiervan worden afgezien. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb kan van het horen worden afgezien als de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht gehoord te worden. Hiervan kan slechts het geval zijn indien geen twijfel bestaat dat daarvoor toestemming is gegeven. [1] Als een bestuursorgaan ten onrechte heeft afgezien van het horen, dan levert dat een gebrek op in de bezwaarprocedure.
4.1.
Er is veelvuldig contact geweest tussen eiseres en de SVB. Zowel telefonisch, als schriftelijk. Dit lijkt niet soepel te zijn verlopen. Op 17 april 2025 heeft eiseres de door de SVB gevraagde formulieren toegestuurd. Hoewel onvolledig, volgt uit hetgeen is aangeleverd dat eiseres een hoorzitting wenste op het kantoor van de SVB. Telefonisch is hiervoor een datum uitgekozen. Toen bleek dat het toch niet mogelijk was om een afspraak in te plannen in Breda, werd eiseres aangeboden om de afspraak te plannen in Nijmegen. Dat vond eiseres lastig, nu zij in [plaats] woont en dan een uur zou moeten rijden. Hoewel aan eiseres werd voorgehouden dat de hoorzitting enkel zou gaan over het niet-tijdig indienen van bezwaar, wilde eiseres toch gehoord worden.
4.2.
Uit het contact dat heeft plaatsgevonden tussen eiseres en de SVB, waaronder de belnotitie van 9 mei 2025, blijkt niet dat eiseres ondubbelzinnig heeft afgezien van het recht om gehoord te worden. Hierover mag geen twijfel bestaan en dat is wel het geval. Eiseres heeft aangegeven naar Breda te willen komen om gehoord te worden, omdat dit voor haar het dichtstbij was. Ter zitting heeft eiseres in aanvulling daarop verklaard dat het voor haar fysiek niet mogelijk was om naar Nijmegen of Apeldoorn te rijden. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van de SVB lag om de fysieke hoorzitting mogelijk te maken op een locatie die voor eiseres geschikt was, temeer nu het telefonische en schriftelijke contact moeizaam verliep.
4.3.
De rechtbank oordeelt dat de beslissing op bezwaar is genomen in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb, nu ten onrechte is afgezien van een hoorzitting
4.4.
Uit Artikel 6:22 van Pro de Awb volgt dat het besluit waartegen beroep is ingesteld, ondanks een schending van een rechtsregel, in stand kan worden gelaten als aannemelijk is dat de belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Aangezien eiseres haar standpunt over de termijnoverschrijding alsnog in beroep naar voren heeft kunnen brengen, oordeelt de rechtbank dat eiseres niet in haar belangen is geschaad, waardoor het gebrek kan worden gepasseerd.
Termijnoverschrijding in de bezwaarprocedure
5. Als een bezwaar- of beroepschrift na de termijn is ingediend, dan blijft de niet-ontvankelijkverklaring achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit vloeit voort uit artikel 6:11 van Pro de Awb. In dit kader wordt in de eerste plaats gekeken of er bijzondere omstandigheden zijn die niet aan eiseres toe te rekenen zijn. Als de termijnoverschrijding aan de indiener kan worden verweten, dan is deze niet verschoonbaar. Kan de termijnoverschrijding niet aan de indiener worden verweten, dan wordt vervolgens gekeken of het bezwaar of beroep zo spoedig als mogelijk is ingediend. Is dat het geval, dan is de termijnoverschrijding verschoonbaar.
5.1.
De wet biedt met de uitleg van artikel 6:11 van Pro de Awb de ruimte om rekening te houden met bijzondere omstandigheden. [2] Belangrijke factoren hierbij zijn bijvoorbeeld de omvang van de termijnoverschrijding en de hoedanigheid van de indiener. De specifieke omstandigheden van het geval spelen bij de beoordeling een grote rol.
Zijn er bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken?
5.2.
Er is veelvuldig aan eiseres gevraagd wat de oorzaak is geweest van het niet tijdig maken van bezwaar. Eiseres heeft in dat kader opgemerkt dat zij op 26 augustus 2024 al een brief zou hebben gestuurd naar de SVB. De SVB geeft aan dit bericht niet te hebben ontvangen en daarom is het aan eiseres om aannemelijk te maken dat dit bericht is verzonden. Zij heeft dit, ook ter zitting, niet aan kunnen tonen. Nu geen andere omstandigheden zijn aangevoerd op basis waarvan geconcludeerd zou kunnen worden dat de termijnoverschrijding niet aan eiseres verweten kan worden, is de rechtbank van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
5.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van de SVB waarin het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk is verklaard, in stand blijft. De SVB moet wel het griffierecht aan eiseres vergoeden, omdat er een gebrek kleeft aan het bestreden besluit en artikel 6:22 Awb Pro is toegepast. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de SVB het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.S. Obispo, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 24 maart 2026 en openbaar bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:11
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Artikel 7:2
Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
Het bestuursorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.
Artikel 7:3
Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,
het bezwaar kennelijk ongegrond is,
de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,
e belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of
aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3555.
2.Bijvoorbeeld de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.