ECLI:NL:RBZWB:2026:19

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/726
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake WIA-uitkering en motiveringsgebrek bij UWV

Op 6 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een tussenuitspraak gedaan in de zaak van een eiser tegen het UWV over de WIA-uitkering. Eiser, die als vrachtwagenchauffeur heeft gewerkt, heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van het UWV waarin zijn loongerelateerde uitkering per 15 september 2024 werd omgezet in een vervolguitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55,83%. Eiser stelde dat dit percentage onjuist was en dat er sprake was van een motiveringsgebrek, omdat het UWV niet had ingegaan op zijn argumenten over excessief verzuim en de onvoorspelbaarheid van zijn belastbaarheid.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het UWV het primaire besluit heeft genomen zonder eiser vooraf medisch te onderzoeken, maar dat dit gebrek in de bezwaarfase is hersteld door een verzekeringsarts. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, vooral met betrekking tot de bezwaargrond van eiser over excessief verzuim. De rechtbank heeft het UWV de gelegenheid gegeven om dit gebrek te herstellen binnen zes weken na de uitspraak. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak op het beroep, inclusief de proceskosten en het griffierecht.

De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige motivering door het UWV bij besluiten over arbeidsongeschiktheid en de noodzaak om alle relevante argumenten van de eiser in overweging te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/726 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.J. Bek),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV), verweerder.

Procesverloop

1. Het UWV heeft met het besluit van 3 juli 2024 (primair besluit) de loongerelateerde uitkering van eiser op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 15 september 2024 omgezet in een vervolguitkering naar de klasse 55% tot 65% arbeidsongeschiktheid. Tegen dit besluit heeft eiser op 29 juli 2024 bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 18 december 2024 is het bezwaar van eiser gegrond verklaard, omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage is vastgesteld op 55,83% in plaats van 57,42%.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en namens verweerder mr. A.P.J. Mijs.

Beoordeling door de rechtbank

2. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser per 15 september 2024 voor 55,83% arbeidsongeschikt is. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is. Zij doet dit onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek kent en stelt het UWV in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
3.1
Iemand die meer dan 35% arbeidsongeschikt is, heeft in eerste instantie recht op een loongerelateerde uitkering. De duur van deze uitkering is afhankelijk van hoe lang iemand in het verleden gewerkt heeft. Na de loongerelateerde uitkering heeft iemand recht op een loonaanvullingsuitkering. Er moet dan wel zijn voldaan aan de 'inkomenseis'. De inkomenseis betekent dat iemand minimaal de helft verdient van wat die persoon nog met zijn ziekte zou kunnen verdienen. Personen die 80% tot 100% arbeidsongeschikt zijn, hoeven niet aan de inkomenseis te voldoen om een loonaanvullingsuitkering te krijgen. Personen die 35% tot 80% arbeidsongeschikt zijn en niet aan de inkomenseis voldoen, krijgen na de loongerelateerde uitkering geen loonaanvullingsuitkering, maar een vervolguitkering. Voor de vraag welk soort WIA-uitkering iemand krijgt, is dus de mate van arbeidsongeschiktheid van belang. Die mate van arbeidsongeschiktheid is afhankelijk van de vraag welke (objectiveerbare) medische beperkingen iemand heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
Totstandkoming bestreden besluit
4. Eiser is werkzaam geweest als vrachtwagenchauffeur. Voor dat werk is hij uitgevallen op 17 september 2020.
4.1.
Het UWV heeft met het besluit van 16 januari 2023 aan eiser een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend met in gang van 15 september 2022 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 57,42%. Tegen de toekenning van de WIA-uitkering heeft eiser bezwaar gemaakt en dat bezwaar heeft het UWV met de beslissing van 17 juli 2023 ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing op bezwaar heeft eiser beroep ingesteld. De rechtbank heeft in die zaak een onafhankelijke deskundige ingeschakeld, die op 13 december 2024 heeft gerapporteerd. Het beroep is met de uitspraak van de rechtbank van 7 juli 2025 [1] gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het besluit zijn in stand gelaten omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage 57,42% blijft.
4.2.
Met het primaire besluit heeft het UWV de loongerelateerde uitkering van eiser per 15 september 2024 omgezet in een vervolguitkering op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 57,42%. Na het bezwaar van eiser tegen dit besluit heeft het UWV een actueel sociaal medisch onderzoek laten verrichten door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige. Bij dit onderzoek is het arbeidsongeschiktheidspercentage per 15 september 2024 berekend op 55,83%. Eiser heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid om zijn bezwaargronden aan te vullen naar aanleiding van de rapportages van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige. De verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (b&b) hebben vervolgens (aanvullend) gerapporteerd en het UWV heeft met het bestreden besluit het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser per 15 september 2024 vastgesteld op 55,83%.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
5. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van 20 oktober 2024 en 11 december 2024 van een verzekeringsarts van het UWV.
De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en heeft eiser gezien op het spreekuur van 16 oktober 2024. De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat er sinds de beoordeling in 2022 nieuwe medische feiten zijn bijgekomen. Naast de diagnoses van gegeneraliseerde artrose en overige respiratoire aandoeningen/OSAS, is eiser nu bekend met diabetes mellitus met overige complicaties, kaakontstekingen en adipositas/obesitas. De vermoeidheidsklachten en de klachten in de handen zijn verergerd. Eiser ziet wazig, ervaart cognitieve klachten, hoofdpijn en misselijkheid. Eiser ervaart ten opzichte van 2022 meer gewrichts- en spierklachten. Bij het onderzoek worden afwijkingen geobjectiveerd passend bij de diagnostiek. De ervaren belemmeringen worden hierdoor verklaard. De belastbaarheid van eiser is neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 20 oktober 2024. De verzekeringsarts heeft aanvullend gerapporteerd dat volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden niet aan de orde is. Met wisselende belastbaarheid conform de standaard ‘geen duurzaam benutbare mogelijkheden’ wordt niet bedoeld kortdurende aanmerkelijke veranderingen van de mogelijkheden. Verder ziet de verzekeringsarts geen argumenten om de belastbaarheid in de FML bij te stellen.
Naar aanleiding van de rapportage van de gerechtelijk deskundige van 13 december 2024 in de beroepsprocedure over de toekenning van de WIA-uitkering per 15 september 2022 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) op 31 oktober 2025 in deze beroepsprocedure gerapporteerd. De verzekeringsarts b&b overweegt dat de bevindingen van de gerechtelijk deskundige ook relevant zijn voor de beoordeling van de belastbaarheid van eiser per datum in geding op 15 september 2024. De verzekeringsarts b&b acht het aannemelijk dat de door de gerechtelijk deskundige toegevoegde beperkingen ten aanzien van werken in de late avond en repetitieve hand- en vingerbewegingen ook voor deze beoordeling van toepassing zijn. Verder merkt de verzekeringsarts b&b op dat met een duurbelastbaarheid van 4 tot 5 uur per dag en 20 tot 25 uur per week eiser verder tegemoet is gekomen, dan de gerechtelijk deskundige heeft gedaan met een duurbelastbaarheid van 6 uur per dag en 30 uur per week. De belastbaarheid van eiser is gewijzigd vastgesteld in de FML van 31 oktober 2025.
5.1.
Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat de beslissing op bezwaar onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd tot stand is gekomen. Er is in strijd met artikel 10 van het Reglement behandeling bezwaarschriften UWV 2024 (Reglement) gehandeld. Daarnaast is sprake van geen benutbare mogelijkheden (GBM) en heeft het UWV de beperkingen van eiser onderschat. De urenbeperking moet maximaal twee uur per dag zijn.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat het UWV het primaire besluit heeft genomen zonder eiser vooraf (medisch) te onderzoeken. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit heeft het UWV alsnog medisch onderzoek door een verzekeringsarts verricht en is er sprake geweest van een spreekuurcontact met de verzekeringsarts. Daarmee is het gebrek in de bezwaarfase hersteld. De tweede rapportage van de verzekeringsarts is onderdeel van de heroverweging in bezwaar. Van strijd met artikel 10 van het Reglement is niet gebleken. De verzekeringsarts die in de bezwaarfase het onderzoek heeft uitgevoerd was niet bij de voorbereiding van het primaire besluit betrokken. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [2] (CRvB) blijkt dat met artikel 10 van het Reglement is beoogd te garanderen dat de beoordeling in bezwaar door een andere arts plaatsvindt dan in de primaire fase. De rechtbank is van oordeel dat hieruit niet volgt dat er in de bezwaarfase door een tweede (verzekerings)arts een beoordeling moet plaatsvinden. Overigens heeft in de beroepsfase alsnog een verzekeringsarts b&b gerapporteerd.
5.3.
Uit de rapportages blijkt dat de verzekeringsarts op de hoogte was van de door eiser gestelde klachten. De in het dossier aanwezige medische informatie is betrokken in de beoordeling. Er zijn geen aanwijzingen dat de verzekeringsarts informatie heeft gemist om tot een zorgvuldige beoordeling te komen. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden. Er zijn geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. De verzekeringsarts heeft navolgbaar gemotiveerd dat niet sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden, in de zin van wisselende mogelijkheden zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d en het vierde lid van het Schattingsbesluit. Er kunnen periodes van verslechtering zijn, maar eiser heeft ter zitting te kennen gegeven dat dit niet zodanig is dat hij langere tijd niet of nauwelijks zelfredzaamheid is.
5.4.
Niet gebleken is dat in de FML van 31 oktober 2025 de beperkingen van eiser zijn onderschat. De verzekeringsartsen hebben eiser per datum in geding in verschillende rubrieken, onder meer op werktijden, meer beperkt geacht dan bij einde wachttijd. Daarbij is in aanmerking genomen de rapportage van de gerechtelijk deskundige, waarin ook de huidige situatie van eiser is beoordeeld. Uit de door eiser ingediende stukken niet blijkt dat verdergaande beperkingen hadden moeten worden aangenomen. De beroepsgrond dat eiser meer beperkt is, slaagt daarom niet. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in de FML van 31 oktober 2025.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
6. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: medewerker klantenservice (SBC-code 315174), allround administratief medewerker (SBC-code 515100) en teamondersteuner (SBC-code 315100).
6.1.
Het standpunt van eiser dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten, vloeit enerzijds voort uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank in overweging 5.4 heeft geconcludeerd is die opvatting niet juist. De rechtbank betrekt daarbij ook dat in de rapportages van de verzekeringsarts b&b en van de arbeidsdeskundige b&b is gemotiveerd dat in de geduide functies de mogelijkheid bestaat om ieder uur 1 of enkele minuten (fysiek) ontlastende handelingen uit te voeren en dat de medewerker naar eigen inzicht het aantal werkuren per dag kan bepalen passend binnen zijn contracturen per week, dan wel dat sprake is van een flexibele aanvangstijd.
6.2.
Daarnaast beroept eiser zich op artikel 9 sub e van het Schattingsbesluit. Hij stelt dat de wisselende belastbaarheid en de onvoorspelbaarheid daarvan hem een onbetrouwbare werknemer maken voor een potentiële werkgever. Per dag zal moeten worden afgewacht of eiser tot werken in staat is en op het werk zal verschijnen. Daarom kan volgens eiser van een werkgever in redelijkheid niet verlangd worden hem in bepaalde arbeid te werk stellen.
6.2.1.
De rechtbank overweegt dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd een werknemer tewerk te stellen als sprake is van excessief verzuim. Bij de vraag of sprake is van excessief ziekteverzuim komt, naast de omvang en frequentie van dat verzuim, mede betekenis toe aan andere factoren zoals voorspelbaarheid, persoonsgebonden aspecten, vervangingsmogelijkheden en de aard van de functies. [3] De rechtbank stelt vast dat eiser in het bezwaarschrift van 25 november 2024 ook de grond heeft aangevoerd dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd hem tewerk te stellen, gelet op zijn wisselende belastbaarheid en de onvoorspelbaarheid daarvan. Het UWV heeft nagelaten om in het bestreden besluit, of de rapportages die daaraan ten grondslag liggen, in te gaan op deze bezwaargrond. Het UWV heeft niet toegelicht of, en zo ja in welke mate, bij tewerkstelling in de geduide functies sprake zal zijn van verzuim. Dit levert een motiveringsgebrek op.

Conclusie en gevolgen

7. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen om een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal het UWV in de gelegenheid stellen om alsnog gemotiveerd in te gaan op de (bezwaar)grond van eiser dat sprake is van excessief verzuim bij tewerkstelling in de geduide functies. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
7.1.
Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of het gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het UWV gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
7.2.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
  • draagt het UWV op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen;
  • stelt het UWV in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van S.E. van Noort, griffier, op 6 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bijlage: wettelijk kader

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Artikel 4
1. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
2. In het eerste lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.
3. Onder duurzaam wordt mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
Artikel 5
Gedeeltelijk arbeidsgeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
Artikel 2, tweede en vierde lid
2. Van het arbeidsdeskundig onderzoek kan worden afgezien:
(…)
d. indien uit verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene zodanig wisselend belastbaar is voor arbeid dat betrokkene geen benutbare mogelijkheden heeft.
4. Het wisselend belastbaar zijn voor arbeid, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, wordt ten minste drie maal in een verzekeringsgeneeskundig onderzoek vastgesteld.
Artikel 9
Bij bepaling van hetgeen betrokkene nog met arbeid kan verdienen worden de volgende regels in acht genomen:
a. in aanmerking wordt genomen die algemeen geaccepteerde arbeid waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen (…)
e. indien betrokkene zodanige kenmerken heeft, dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd hem in bepaalde arbeid te werk te stellen, blijft die arbeid bij de toepassing van onderdeel a buiten beschouwing;
Reglement behandeling bezwaarschriften UWV 2024
Artikel 10, eerste lid
1. Beoordeling van de medische aspecten van bezwaar vindt plaats door een (verzekerings-) arts Bezwaar en Beroep die niet bij de voorbereiding van de bestreden beschikking betrokken is.

Voetnoten

2.CRvB 18 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:99.
3.CRvB 10 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:108 en CRvB 21 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2751.