ECLI:NL:RBZWB:2026:1751
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €1.475 die de inspecteur oplegde vanwege een hogere vastgestelde CO2-uitstoot dan door belanghebbende opgegeven. De rechtbank beoordeelt of de aanslag terecht is opgelegd en of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelt dat het taxatierapport van belanghebbende niet buiten beschouwing kan blijven, maar dat de inspecteur terecht uitgaat van een CO2-uitstoot van 172 gr/km zoals vastgesteld door de RDW. Belanghebbende heeft onvoldoende onderbouwd dat de CO2-uitstoot lager moet zijn en heeft ook de handelsinkoopwaarde niet aannemelijk gemaakt. De naheffingsaanslag is daarom terecht en niet te hoog vastgesteld.
Wel is de redelijke termijn van twee jaar voor de afhandeling van het bezwaar met ongeveer 18 maanden overschreden. De rechtbank kent daarom een immateriële schadevergoeding van €1.500 toe, waarvan een deel voor rekening van de inspecteur en een deel voor de Staat komt. Tevens worden proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding toegekend. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.