ECLI:NL:RBZWB:2026:1467

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
24/5313
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27h AwrArt. 28 AwrBesluit belasting- en invorderingsrente (tekst 2023)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Compromis over afwaardering rekening-courantvordering en verlaging belastingrente

Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen een aanslag vennootschapsbelasting 2020 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. De inspecteur had een aanslag opgelegd van €596.287 en belastingrente van €19.657, welke het bezwaar ongegrond verklaarde.

Tijdens de zitting op 22 januari 2026 bereikten partijen een compromis waarbij belanghebbende een bedrag van €150.000 ten laste van de winst mag brengen vanwege afwaardering van een rekening-courantvordering. Dit leidt tot een vermindering van de aanslag tot €446.287.

Daarnaast stelde de inspecteur zich op het standpunt dat het belastingrentepercentage onjuist was vastgesteld op 8%, en dat dit percentage verlaagd moet worden naar 4% conform het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 en het Besluit belasting- en invorderingsrente 2023.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, en bepaalde dat de aanslag en belastingrente dienovereenkomstig worden verminderd. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van belanghebbende, berekend op €3.200.

De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda op 5 maart 2026 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De aanslag vennootschapsbelasting en belastingrente worden verminderd op basis van een compromis over afwaardering en verlaging van het rentepercentage naar 4%.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5313

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V, gevestigd te [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigden: mr. J.H. Feenstra en mr. J.P.M. van Gorp),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 24 mei 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 596.287. Gelijktijdig heeft de inspecteur belanghebbende € 19.657 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende mr. J.P.M. van Gorp, en namens de inspecteur [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
1.4.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgesteld waarvan een afschrift gelijktijdig met de uitspraak naar partijen wordt verzonden.

Beoordeling door de rechtbank

Het compromis
2. Partijen hebben ter zitting bij wijze van compromis overeenstemming bereikt en wel in die zin dat belanghebbende een bedrag van € 150.000 ten laste van de winst mag brengen ter zake van de afwaardering van de rekening-courantvordering op [B.V.] . Dit betekent dat de aanslag dient te worden verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van € 446.287.
2.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van hetgeen partijen hebben afgesproken en zal dienovereenkomstig beslissen en het beroep gegrond verklaren.
Belastingrentebeschikking
2.2.
Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 [1] heeft de inspecteur zich ter zitting op het standpunt gesteld dat ten onrechte is uitgegaan van een belastingrentepercentage van 8%. Dit betekent dat de belastingrente moet worden verlaagd en moet worden bepaald met toepassing van de algemene regel van artikel 1, letter a, van het Besluit belasting- en invorderingsrente (tekst 2023). Het belastingrentepercentage dient in dit geval te worden verlaagd naar 4%, aldus de inspecteur. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen en de belastingrentebeschikking verminderen.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de aanslag en de belastingrentebeschikking moeten worden verlaagd. De inspecteur dient dit uit te voeren.
3.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten die zij in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. De inspecteur moet die vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In de bezwaarfase worden de kosten van rechtsbijstand vastgesteld op basis van 2 punten (bezwaarschrift en het verschijnen ter hoorzitting), met een waarde van € 666 per punt. Ook heeft belanghebbende recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934 per punt. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 1. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 446.827;
  • vermindert de in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig;
  • bepaalt dat de belastingrentebeschikking dient te worden berekend naar een rentepercentage van 4%;
  • veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van
€ 3.200;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 371 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, voorzitter, en mr. S.A.J. Bastiaansen en mr. M.A.M. van Meer, leden, in aanwezigheid van mr. D. Damen, griffier, op 5 maart 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [2]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59.
2.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de Awr.