Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de Dienst Toeslagen op zijn aanvraag om aanvullende compensatie voor werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 22 mei 2025 waarin een beslistermijn werd gesteld, maar verweerder heeft niet binnen die termijn een besluit genomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat verweerder alsnog binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen. Verweerder had verzocht om een langere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn, maar de rechtbank volgt de lijn van eerdere uitspraken en stelt de termijn op uiterlijk 13 maart 2026.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Verweerder wordt ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 3 maart 2026.