ECLI:NL:RBZWB:2026:1362

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/670
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:2 AwbArt. 5:31d AwbArt. 5:39 AwbArt. 5.1 OmgevingswetArt. 12.1 Omgevingsplan gemeente Schouwen-Duiveland
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen last onder dwangsom en invordering wegens permanente bewoning recreatiewoning

Eisers zijn eigenaren van een recreatiewoning die zij permanent bewonen, in strijd met het Omgevingsplan van de gemeente Schouwen-Duiveland. Het college heeft meerdere malen een last onder dwangsom opgelegd en deze dwangsommen geïnd vanwege voortdurende overtreding. Eisers maakten bezwaar en stelden beroep in tegen deze besluiten.

De rechtbank oordeelt dat het college bevoegd was om handhavend op te treden omdat sprake is van een overtreding van het Omgevingsplan. De beginselplicht tot handhaving geldt, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die handhaving onevenredig maken. Eisers voerden aan dat er concreet zicht is op legalisatie en dat de dwangsom onevenredig is vanwege hun financiële situatie en de woningmarkt.

De rechtbank stelt vast dat er geen concreet zicht is op legalisatie, omdat het college niet bereid is een omgevingsvergunning te verlenen en de aangekondigde instructieregel nog niet in werking is. Ook is niet gebleken dat eisers voldoende inspanningen hebben verricht om vervangende woonruimte te vinden. De dwangsom is proportioneel en het college heeft het algemeen belang bij handhaving zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eisers.

Verder is geen misbruik van bevoegdheid vastgesteld en is het beroep op mensenrechten onvoldoende onderbouwd. Eisers hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat zij de dwangsom niet kunnen betalen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het griffierecht en proceskostenvergoedingen af.

Uitkomst: Het beroep van eisers tegen de last onder dwangsom en de invordering daarvan wegens permanente bewoning van een recreatiewoning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/670

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2], uit [plaats], eisers

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland, het college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen de besluiten van het college tot opleggen van een last onder dwangsom en invordering van een dwangsom in verband met het permanent bewonen van een recreatiewoning. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank de besluiten van het college.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 en 5 staan de besluiten die in deze procedure voorliggen. De beoordeling door de rechtbank van het dwangsombesluit volgt vanaf 6. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of het college bevoegd is om een last onder dwangsom op te leggen en of het van deze bevoegdheid gebruik heeft mogen maken. De beoordeling van het invorderingsbesluit volgt onder 11. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Het college heeft met een besluit van 16 augustus 2024 (verzonden op 21 augustus 2024) een last onder dwangsom opgelegd aan eisers wegens het in strijd met het Omgevingsplan gemeente Schouwen-Duiveland (Omgevingsplan) permanent bewonen van een recreatiewoning.
2.1.
Eisers hebben hiertegen op 19 september 2024 bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het besluit van 20 december 2024 (verzonden op 6 januari 2025) op het bezwaar van eisers heeft het college het besluit met een aanvullende motivering in stand gelaten (bestreden besluit I).
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
Een hangende beroep ingediend verzoek om voorlopige voorziening (zaaknummer BRE 25/669) is door een voorzieningenrechter van deze rechtbank met de uitspraak van 21 februari 2025 niet-ontvankelijk verklaard. [1]
2.5.
Met het besluit van 27 mei 2025 (verzonden op 28 mei 2025) heeft het college besloten tot invordering van de op 16 augustus 2024 opgelegde last onder dwangsom. Het beroep is op grond van artikel 5:39 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede tegen dit besluit (bestreden besluit II) gericht.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser Bos en de gemachtigde van eisers via een videoverbinding en mr. R.T.A. van Helden en mr. L. van Deyzen namens het college. Op de zitting is het onderzoek gesloten.
2.7.
Op verzoek van het college heeft de rechtbank op 24 september 2025 het onderzoek heropend. Het college heeft op 6 oktober 2025 gereageerd op een aanvankelijk ontbrekende pagina van het beroepschrift. Eisers hebben op 6 november 2025 hierop gereageerd.
2.8.
De rechtbank heeft het onderzoek op 21 januari 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
3. Eisers waren ten tijde van belang eigenaren van de recreatiewoning op het perceel [adres]. Eisers stonden in de Basisregistratie Personen ook ingeschreven op dit adres.
3.1.
De gronden waarop de recreatiewoning is gebouwd, zijn gelegen binnen het voormalige bestemmingsplan gemeente Schouwen-Duivenland ‘Recreatieterreinen’ (bestemmingsplan) dat van rechtswege deel is gaan uitmaken van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan en hebben hierin de bestemming ‘Recreatie – Recreatiewoning’.
3.2.
Het college heeft met een besluit van 27 januari 2022 een last onder dwangsom opgelegd aan eisers in verband met het in strijd met het bestemmingsplan permanent bewonen van een recreatiewoning. Eisers werden daarbij gelast om deze overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Als zij daar niet aan zouden voldoen, verbeurden zij een dwangsom van € 25.000,- in één keer. Hiervoor is een begunstigingstermijn van één jaar verleend. Na afloop van de begunstigingstermijn is door het college geconstateerd dat eisers de recreatiewoning nog steeds permanent bewoonden. Het college is daarom met het besluit van 6 juni 2023 overgegaan tot invordering. Deze besluiten zijn onherroepelijk geworden.
3.3.
Het college heeft met een besluit van 9 januari 2024 opnieuw een last onder dwangsom aan eisers opgelegd wegens het in strijd met het Omgevingsplan bewonen van de recreatiewoning als hoofdverblijf. De hoogte van de dwangsom is vastgesteld op een bedrag van € 50.000,- in één keer, met een begunstigingstermijn tot 22 april 2024. Dit dwangsombesluit is eveneens onherroepelijk geworden.
3.4.
Het college heeft op 16 augustus 2024 besloten tot invordering van de verbeurde dwangsom van € 50.000,-. Het college heeft het bezwaar van eisers tegen dit invorderingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring hebben eisers beroep ingesteld bij de bestuursrechter van deze rechtbank. [2]
Het derde dwangsombesluit
4. Aan het bestreden besluit I dat in deze procedure ter beoordeling voorligt, is het besluit van 16 augustus 2024 voorafgegaan waarmee het college een derde last onder dwangsom heeft opgelegd aan eisers.
4.1.
Het college heeft voor dat besluit in de periode van april 2024 en juni 2024 verschillende controles uitgevoerd en heeft geconstateerd dat eisers in strijd met het Omgevingsplan de recreatiewoning permanent bewonen. Eisers zijn opnieuw gelast deze overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Als zij daar niet aan zouden voldoen, verbeurden zij een dwangsom van € 100.000,- in één keer. Hiervoor is een begunstigingstermijn verleend tot 5 november 2024.
4.2.
Concreet gaat het om een overtreding van artikel 12.1, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 12.4, aanhef en onder a, van het Omgevingsplan. Daarnaast gaat het om een overtreding van artikel 5.1, eerst lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
4.3.
Met het bestreden besluit I van 20 december 2024 (verzonden op 6 januari 2025) op het bezwaar van eisers heeft het college het besluit met een aanvullende motivering in stand gelaten.
Het invorderingsbesluit
5. Het bestreden besluit II dat in deze procedure ter beoordeling voorligt, is het besluit van 27 mei 2025. Met dat besluit heeft het college besloten tot invordering van het bedrag van € 100.000,-.
5.1.
Het college heeft naar aanleiding van de controles die sinds 5 november 2024 door toezichthouders zijn uitgevoerd geconstateerd dat eisers de recreatiewoning nog steeds gebruiken als hoofdwoning. Hiermee hebben eisers, volgens het college, niet (tijdig) voldaan aan de last onder dwangsom en is de dwangsom verbeurd.
Was het college bevoegd om de last onder dwangsom op te leggen?
6. De rechtbank overweegt dat het college pas bevoegd is om handhavend op te treden als sprake is van een overtreding. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder een overtreding verstaan: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. [3]
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat het op de weg van het tot handhaving bevoegde bestuursorgaan ligt om feiten en omstandigheden vast te stellen die het aannemelijk maken dat een recreatiewoning in strijd met het bestemmingsplan permanent wordt bewoond. Het is vervolgens aan eisers om die feiten, indien daartoe aanleiding bestaat, te weerleggen of nader te verklaren, bij gebreke waarvan de bestuursrechter in beginsel van de juistheid van de feiten zoals het college die heeft vastgesteld, dient uit te gaan.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende aannemelijk gemaakt dat eisers op het moment van het handhavingsbesluit de recreatiewoning in strijd met het Omgevingsplan permanent bewoonden. De rechtbank merkt daarbij op dat eisers dit op zitting eveneens hebben bevestigd. Hierdoor is sprake van een overtreding van een wettelijk voorschrift.
6.3.
Het college was bevoegd om tegen de overtreding handhavend op te treden.
Beginselplicht tot handhaving
7. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geldt als uitgangspunt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. [4] Deze beginselplicht geldt voor bevoegdheden om een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom op te leggen, de herstelsancties uit de Awb. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving.
7.1.
Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. [5] Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
7.2.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. [6]
Zijn er bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden heeft moeten afzien?
Is er concreet zicht op legalisatie?
8. Eisers voeren aan dat de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 19 december 2024 gericht aan de Tweede Kamer, niet vrijblijvend is. Daarin kondigt de minister aan een instructieregel te willen opnemen in het Besluit kwaliteit leefomgeving, die erop is gericht dat gemeenten in hun omgevingsplannen moeten voorzien in het onder voorwaarden toestaan van bestaand gebruik van een recreatiewoning voor permanente bewoning. Volgens eisers moet het college hieraan meewerken. In hun aanvullende schriftelijke reactie hebben eisers erop gewezen dat de instructieregel op 27 mei 2025 in consultatie is gebracht en dat deze naar verwachting in 2026 in werking zal treden.
8.1.
Voorzover eisers met deze beroepsgrond betogen dat sprake is van concreet zicht op legalisatie overweegt de rechtbank als volgt. Zoals hiervoor onder 6.2 is overwogen, is het gebruik van de recreatiewoning als hoofdverblijf in strijd met het Omgevingsplan. Het college is niet bereid voor dat illegale gebruik een omgevingsvergunning in afwijking van het Omgevingsplan te verlenen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [7] volstaat in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering aanwezig is. Door het college is gemotiveerd dat bewoning van recreatiewoningen in de gemeente Schouwen-Duivenland niet wenselijk is. Volgens het college leidt dit ertoe dat minder recreatieverblijven beschikbaar zijn, waardoor elders in de gemeente behoefte ontstaat aan nieuwe recreatieverblijven. Daarnaast ondermijnt permanente bewoning het ruimtelijk beleid en veroorzaakt zij spanningen tussen recreanten en permanente bewoners. Het college treedt daartegen consequent handhavend op. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het door het college ingenomen standpunt onjuist is.
8.2.
De omstandigheid dat er in de landelijke politiek aandacht was en is voor het mogen bewonen van recreatiewoningen, leidt niet tot een ander oordeel. Op het moment van opleggen van de last onder bestuursdwang maar ook ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar van 6 januari 2025 was geen sprake van een ophanden zijnde inwerkingtreding van gewijzigde regelgeving over permanente bewoning van recreatiewoningen. Het college kon daarmee in de besluitvorming dus geen rekening houden. Dat de minister bij brief van 19 december 2024 een instructieregel heeft aangekondigd en dat deze instructieregel op 27 mei 2025 ter consultatie is voorgelegd, maakt dit niet anders. De rechtbank wijst erop dat uit het bericht van 27 mei 2025 volgt dat de (ontwerp)instructieregel gedurende acht weken ter consultatie is gelegd. Dit brengt met zich dat deze naar aanleiding van binnengekomen reacties nog kan worden aangepast. Het is dan ook niet zeker of de instructieregel daadwerkelijk inwerking zal treden, laat staan in de vorm waarin deze ter consultatie is voorgelegd. Bovendien is het de vraag of de aangekondigde wijziging van de regelgeving, indien en voorzover deze in werking treedt, tot gevolg zal hebben dat de permanente bewoning van deze recreatiewoning in dit geval zal moeten worden toegestaan door het college. Het blijft aan gemeenten om wel of geen medewerking te verlenen aan legalisatie van permanente bewoning van recreatiewoningen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zijn er andere omstandigheden aanwezig?
9. Eisers voeren aan dat er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waardoor het college van handhavend optreden had moeten afzien. Eisers stellen dat zij geen andere woning kunnen vinden waardoor zij geen kant op kunnen. Het college heeft geen rekening gehouden met de overspannen woningmarkt. Daarnaast stellen eisers dat zij na een faillissement geconfronteerd worden met een schuld van € 175.000,-, als gevolg van de dwangsommen, die zij nooit kan afbetalen. Eisers stellen ook dat zij geen gebruik kunnen maken van hun legaal verkregen goed (de woning) zoals zij dat wensen. Dit alles tezamen maakt dat handhavend optreden onevenredig is.
9.1.
De rechtbank stelt voorop dat er inmiddels meerdere onherroepelijke handhavingsbesluiten zijn genomen die zich richten op de beëindiging van de permanente bewoning van de recreatiewoning. De gevolgen hiervan zijn voor eisers ingrijpend, nu dit een aanzienlijke financiële druk met zich meebrengt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college echter in dit geval aan het algemeen belang om handhavend op te treden tegen een overtreding van het Omgevingsplan een zwaarder wegend belang mogen toekennen dan aan het belang van eisers bij het gebruik van hun recreatiewoning als hoofdverblijf in strijd met dit Omgevingsplan. Zoals onder 8.1 uiteengezet, treedt het college handhavend op tegen permanente bewoning van recreatieverblijven omdat dit niet als wenselijk wordt gezien in de gemeente.
9.2.
De omstandigheid dat bekend is dat in algemene zin sprake is van druk op de woningmarkt, betekent niet dat van eisers niet kan worden verwacht dat zij op zoek gaan naar vervangende zelfstandige woonruimte of dat het college eisers daarom moet toestaan in strijd met het Omgevingsplan de recreatiewoning als vaste verblijfplaats te gebruiken. Tegen het gebruik door eisers van de recreatiewoning als hoofdverblijf wordt al sinds 2022 door het college handhavend opgetreden. Het college heeft erop gewezen dat eisers inmiddels drie jaar de tijd hebben gehad om vervangende woonruimte te vinden. Sindsdien hebben zij één woning bezichtigd en hebben zij zich niet ingeschreven bij een woningcorporatie. De rechtbank volgt het college in de redenering dat niet is gebleken dat eisers zich voldoende hebben ingespannen om vervangende woonruimte te zoeken. De rechtbank betrekt daarbij dat uit de stukken niet blijkt dat eisers op een andere wijze actief hebben gezocht naar vervangende woonruimte.
9.3.
Over de stelling van eisers dat de dwangsom onevenredig hoog is overweegt de rechtbank als volgt. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat de derde opgelegde dwangsom is bepaald op € 100.000,-, omdat de eerder opgelegde lasten onder dwangsom er niet toe hebben geleid dat eisers de overtreding hebben beëindigd. Het college gaat er daarom vanuit dat van deze dwangsommen een onvoldoende prikkel is uitgegaan, waardoor de nieuwe last onder dwangsom wordt verdubbeld. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet met nadere stukken onderbouwd dat het college zich niet op dat standpunt heeft mogen stellen. Eisers hebben hiertoe slechts opgemerkt dat zij van een AOW-uitkering leven en verder niet over de financiële middelen beschikken om ooit aan de last te kunnen voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank is die enkele stelling niet voldoende om aan te nemen dat de dwangsom onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.
9.4.
Ook het feit dat de recreatiewoning het eigendom is van eisers maakt niet dat zij daarom de woning in strijd met het Omgevingsplan als hoofdverblijf mogen blijven gebruiken.
Misbruik van bevoegdheid?
10. Eisers voeren aan dat de toezichthouder zich tijdens uitgevoerde controles heeft misdragen. Volgens eisers is er door een toezichthouder een hek kapot geknipt om toegang te krijgen tot de afgesloten tuin.
10.1.
Een bestuursorgaan mag in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend rapport, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het rapport weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. [8]
10.2.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college uitgaan van de juistheid van de bevindingen in de rapporten van de toezichthouders. Eisers hebben niet met verifieerbare gegevens onderbouwd waaruit blijkt dat zodanige twijfel bestaat dat de inhoud van die rapporten niet juist is. Van misdragingen door een toezichthouder is de rechtbank niet gebleken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mensenrechten
11. Tot slot hebben eisers betoogd dat handhavend optreden in strijd is met mensenrechten. Dit betoog kan niet leiden tot het door eisers beoogde resultaat omdat eisers hiervoor geen enkele onderbouwing hebben gegeven. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
12. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat handhavend optreden in dit geval niet onevenredig is. Het college heeft van de bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen gebruik mogen maken.
Mocht het college overgaan tot invordering van de last onder dwangsom?
13. Het is vaste rechtspraak dat aan het belang van invordering een zwaarwegend gewicht moet worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat hoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Hierbij geldt dat het bestuursorgaan bij een invorderingsbesluit in beginsel geen rekening hoeft te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. Voor een uitzondering hierop bestaat slechts aanleiding als evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit zo is. Hij moet daarvoor zodanige informatie verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben. [9]
13.1.
Eisers hebben betoogd dat het college niet tot invordering mocht overgaan. In dat kader voeren eisers opnieuw aan dat zij de dwangsom niet kunnen betalen.
13.2.
De rechtbank is van oordeel dat eisers niet met bewijs aannemelijk hebben gemaakt dat de financiële draagkracht ontbreekt om de dwangsommen te betalen. Door het college is op zitting erop gewezen dat eisers geen financiële onderbouwing hebben gegeven voor de stelling dat zij de dwangsom niet kunnen betalen. Op de zitting en in een aanvullende schriftelijke reactie hebben eisers bevestigd dat zij geen overzicht van hun financiën willen overleggen. De rechtbank merkt op dat hieruit volgt dat niet is gebleken dat eisers niet in staat zullen zijn de verbeurde dwangsom (volledig) te betalen. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Wilbrink, griffier, op 3 maart 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:2, eerste lid, onder b
In deze wet wordt verstaan onder:
(…)
herstelsanctie: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding;
Artikel 5:31d
Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Omgevingswet
Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit;
(…).
Bestemmingsplan gemeente Schouwen-Duivenland ‘Recreatieterreinen’
Artikel 12.1, aanhef en onder a
De voor 'Recreatie - Recreatiewoning' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. recreatie in gebouwen welke zijn bestemd of opgericht voor recreatief nachtverblijf door personen die hun hoofdverblijf elders hebben;
(…).
Artikel 12.4, aanheft en onder a
Met betrekking tot het gebruik van gronden gelden de volgende regels:
a. het permanent bewonen of laten bewonen van gebouwen is niet toegestaan;
(…).

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 februari 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1057.
2.BRE 25/2499.
3.Artikel 5:1, eerste lid, van de Awb.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
5.Uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 maart 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:1379.
7.Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4374, en 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4518.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:289.
9.Uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2586.