ECLI:NL:RBZWB:2026:122

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
23/10574 PW
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang en vergoeding wettelijke rente over nabetalingen

In deze zaak heeft eiseres beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda met betrekking tot haar recht op een uitkering op grond van de Participatiewet. Eiseres was het niet eens met het besluit van 1 juni 2023, waarbij haar aanvraag voor een uitkering niet verder in behandeling werd genomen. Na bezwaar heeft het college op 14 september 2023 het bezwaar gegrond verklaard en eiseres recht op bijstandsuitkering per 8 februari 2023 toegekend, maar aangekondigd dat de uitkering geblokkeerd zou worden per 1 oktober 2023 als haar woonsituatie niet in overeenstemming was met de Basisregistratie Personen (Brp). Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, maar de rechtbank oordeelt dat eiseres geen procesbelang meer heeft, omdat het college op 17 maart 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen, waarbij eiseres alsnog een bijstandsuitkering per 1 januari 2023 is toegekend. De rechtbank verklaart het beroep tegen de eerdere besluiten niet-ontvankelijk. Daarnaast heeft eiseres verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over nabetalingen. De rechtbank oordeelt dat het college gehouden is om wettelijke rente te vergoeden over de nabetalingen, met uitzondering van de derde nabetaling waarover al rente is vergoed. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding toe en veroordeelt het college tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/10574

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.B.B. Beelaard),
en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het recht van eiseres op een uitkering op grond van de Participatiewet. Eiseres is het niet eens een besluit van het college hierover. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het beroep van eiseres kan slagen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen procesbelang (meer) heeft. Het beroep is dus niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 8 februari 2023 bij het college een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Participatiewet. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 1 juni 2023 niet verder in behandeling genomen.. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 14 september 2023 heeft het college het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Daarbij is bepaald dat eiseres per 8 februari 2023 alsnog recht heeft op een bijstandsuitkering. Daarnaast heeft het college aangekondigd dat het recht op bijstand zal worden geblokkeerd per 1 oktober 2023 als eiseres op dat moment haar feitelijke woonsituatie nog niet in overeenstemming heeft gebracht met de Basis registratie personen (Brp).
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, omdat de door haar beoogde ingangsdatum van de bijstandsuitkering 1 januari 2023 betreft en omdat zij het niet eens is met de blokkering van de uitkering per 1 oktober 2023. Tevens heeft zij een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 11 januari 2024 op zitting behandeld. Ter zitting heeft het college toegezegd een nieuwe beslissing op bezwaar te zullen nemen. Eveneens is toegezegd de uitkering voor de maanden oktober, november en december 2023 na te betalen. Vervolgens heeft eiseres het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken.
2.3.
Met het besluit van 15 januari 2024 heeft het college bepaald dat de blokkadedatum wordt ingesteld op 1 mei 2024. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiseres van rechtswege mede betrekking op dit besluit.
2.4.
Met het besluit van 17 maart 2025 heeft het college een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daarbij is aan eiseres per 1 januari 2023 een bijstandsuitkering toegekend. Op grond van artikel 6:19 van de Awb heeft het beroep van eiseres van rechtswege mede betrekking op deze herziene beslissing op bezwaar.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiseres voldoende procesbelang heeft bij het door haar ingestelde beroep.
3.1.
Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. [1] Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. [2]
Besluit van 14 september 2023
4. De rechtbank is van oordeel dat, doordat het college het besluit van 14 september 2023 heeft herzien op 17 maart 2025, eiseres geen belang meer heeft bij een oordeel van de rechtbank over het besluit van 14 september 2023. Het beroep van eiseres tegen het besluit van 14 september 2023 is daarom niet-ontvankelijk.
Besluit van 15 januari 2024
5. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet heeft gesteld dat zij nog een belang heeft bij de beoordeling van het besluit van 15 januari 2024. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van een dergelijk belang. Voor zover het beroep van eiseres is gericht tegen het besluit van 15 januari 2024, zal het dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
Besluit van 17 maart 2025
6. De rechtbank stelt vast dat het college met het besluit van 17 maart 2025 per 1 januari 2023 aan eiseres een bijstandsuitkering heeft toegekend. Vastgesteld wordt dat het college daarmee volledig aan eiseres is tegemoetgekomen. Dit is door de gemachtigde van eiseres bij brief van 2 mei 2025 bevestigd.
6.1.
De gemachtigde van eiseres heeft in diezelfde brief aangegeven dat eiseres haar beroep niet intrekt, omdat zij door de rechtbank wil worden gehoord. De zitting van 11 januari 2025 heeft plaatsgevonden zonder dat eiseres daarbij aanwezig was. Naar het oordeel van de rechtbank is gehoord willen worden, in dit geval een principieel belang. Zoals onder 3.1. is aangegeven, is een dergelijk belang onvoldoende om procesbelang aan te nemen.
6.2.
Verder heeft de gemachtigde van eiseres gesteld dat het college gehouden is om proceskosten in beroep te vergoeden. Voor zover eiseres meent dat zij hierom een procesbelang heeft, overweegt de rechtbank dat naar vaste rechtspraak de enkele wens tot vergoeding van de proceskosten of het griffierecht in de rechterlijke fase in beroep geen zelfstandig procesbelang oplevert. [3]
6.3.
De rechtbank komt tot de conclusie dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van haar beroep tegen het besluit van 17 maart 2025. Daarom zal dit beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen het besluit van 14 september 2023 is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het besluit van 15 januari 2024 is eveneens niet-ontvankelijk. Tot slot is het beroep tegen het besluit van 17 maart 2025 ook niet-ontvankelijk.
7.1.
De rechtbank ziet in de omstandigheid dat het college tot tweemaal toe een herziene beslissing op bezwaar heeft genomen wel aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten. De proceskostenvergoeding bedraagt € 907,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend. Met de herziene beslissing op bezwaar van 17 maart 2025 heeft het college reeds de proceskosten voor de bezwaarfase vergoed, waardoor deze nu niet meer voor vergoeding in aanmerking komen.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat eiseres vanwege een (niet beoordeeld) beroep op betalingsonmacht geen griffierecht heeft betaald, zodat het college geen griffierecht hoeft te vergoeden.
7.3.
Eiseres heeft, voor het eerst nadat het besluit van 17 maart 2025 is genomen, verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de verrichte nabetalingen. De rechtbank stelt vast dat er drie nabetalingen hebben plaatsgevonden, namelijk op 15 september 2023, op 17 januari 2024 en een nabetaling van de bijstandsuitkering over de periode van 1 januari 2023 tot en met 7 februari 2023. Niet in geschil is dat over de derde nabetaling al wettelijke rente door het college is vergoed. Eiseres heeft verzocht om het college te veroordelen tot betaling van wettelijke rente over de eerste twee nabetalingen.
7.4.
Op basis van de gedingstukken en de toelichting van het college ter zitting leidt de rechtbank af dat het college op 15 september 2023 een nabetaling heeft gedaan, omdat in het besluit van 14 september 2023 is bepaald dat eiseres alsnog recht heeft op een bijstandsuitkering per 8 februari 2023. Ter zitting is namens het college toegezegd om over deze nabetaling wettelijke rente aan eiseres te vergoeden, zodat de rechtbank hierover geen oordeel meer hoeft te vellen.
7.5.
De nabetaling van 17 januari 2024 ziet op het naar aanleiding van de zitting in de voorlopige voorzieningenprocedure verschuiven van de blokkeringsdatum, waardoor de bijstandsuitkering over de maanden oktober tot en met december 2023 . Naar het oordeel van de rechtbank kan het blokkeren van het recht op uitkering gelijk worden gesteld met het nemen van een afwijzende beschikking als bedoeld in artikel 4:102, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat het college gehouden is om eveneens over die nabetaling wettelijke rente te vergoeden. Dat, zoals namens het college ter zitting is gesteld, de blokkering niet onrechtmatig zou zijn geweest, acht de rechtbank, wat daar ook van zij, in dit verband niet van belang. Vereist is dat een afwijzende beschikking tot betaling door het bestuursorgaan als gevolg van bezwaar of beroep wordt vervangen door een beschikking tot betaling. Daarvan is in dit geval feitelijk sprake, zodat het verzoek van eiseres dient te worden toegewezen voor zover dit ziet op de tweede nabetaling. Voor de wijze waarop het college deze wettelijke rente dient te berekenen, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de CRvB van 25 januari 2012. [4]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 14 september 2023 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 januari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 maart 2025 niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente toe;
- veroordeelt het college tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 16 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:168.
2.Zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 17 juni 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:993.
3.Zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 3 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3885.