Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een tijdige beslissing op bezwaar tegen de WOZ-beschikking voor een onroerend goed. Na ingebrekestelling op 12 februari 2024 en het uitblijven van een tijdige beslissing, stelde belanghebbende op 9 september 2024 beroep in. De heffingsambtenaar heeft op 8 oktober 2024 alsnog een beslissing genomen en een dwangsom toegekend.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar hiermee tegemoet is gekomen aan het beroep, dat niet meer ziet op de inhoudelijke beslissing maar op het tijdig beslissen. Het beroep wordt daarom gegrond verklaard en belanghebbende krijgt een proceskostenvergoeding toegekend.
De vergoeding is berekend conform het Besluit proceskosten bestuursrecht en artikel 30a van de Wet waardering onroerende zaken, waarbij een vast bedrag per procesbehandeling wordt gehanteerd met een wegingsfactor van 0,5 en een correctiefactor van 0,1, resulterend in een vergoeding van €46,70. De rechtbank wijst het verzoek om deze correctiefactor buiten toepassing te laten af, gelet op een arrest van de Hoge Raad.
De heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot betaling van deze proceskostenvergoeding en het griffierecht van €51,- aan belanghebbende. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 23 februari 2026.