ECLI:NL:RBZWB:2025:9695

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
10916935 \ MB VERZ 24-100
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke gegrondverklaring beroep tegen verkeersboete met matiging en proceskostenvergoeding

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 25 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een verkeersboete. De betrokkene had een boete ontvangen voor het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder een duidelijk zichtbare gehandicaptenparkeerkaart. De gedraging vond plaats op 26 januari 2023. De betrokkene heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie, die het beroep ongegrond had verklaard. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de betrokkene aangevoerd dat de gehandicaptenparkeerkaart goed zichtbaar was en dat de rechtsgrond voor de boete ontbrak. Daarnaast werd verzocht om matiging van de boete en een proceskostenvergoeding. De officier van justitie heeft verzocht om gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep, met argumenten voor matiging van de boete.

De kantonrechter heeft vastgesteld dat de gedraging is verricht, maar heeft ook aanleiding gezien om de boete te matigen, gezien het feit dat de betrokkene over een geldige gehandicaptenparkeerkaart beschikte. De kantonrechter heeft de boete verlaagd tot € 30,- en daarnaast geconstateerd dat er sprake was van overschrijding van de redelijke termijn, wat leidde tot een verdere matiging van 25%. De beslissing van de officier van justitie is gewijzigd, en het bedrag dat de betrokkene te veel had betaald, moet worden terugbetaald. Tevens is een proceskostenvergoeding toegekend, die is berekend op basis van de werkzaamheden van de gemachtigde en de zitting.

De uitspraak is openbaar gedaan en de betrokkene heeft de mogelijkheid om binnen zes weken hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, mits aan de voorwaarden wordt voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer.: 10916935 \ MB VERZ 24-100
CJIB-nummer: [cjib-nummer]
uitspraakdatum: 25 november 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde]

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 25 november 2025. Namens de officier van justitie is verschenen [zittingsvertegenwoordiger] (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare gehandicaptenparkeerkaart op het Wagnerplein te Tilburg op 26 januari 2023 om 16:31 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Betrokkene is in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart. Betrokkene stelt daarnaast dat deze gehandicaptenparkeerkaart goed zichtbaar achter de voorruit was geplaatst. Betrokkene is zodoende bevoegd te parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats. De rechtsgrond voor het opleggen van de sanctie ontbreekt. Indien de kantonrechter oordeelt dat de gehandicaptenparkeerkaart niet voldoende zichtbaar achter de voorruit lag, verzoekt betrokkene subsidiair het sanctiebedrag te matigen naar € 30,-. Voorts verzoekt gemachtigde een proceskostenvergoeding. Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De sanctie dient met 25% gematigd te worden.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe aangevoerd dat het vaste werkwijze is van het CVOM om in het geval dat een betrokkene ten tijde van de gedraging over een geldige gehandicaptenparkeerkaart beschikt de boete wordt gematigd tot € 30,-. Daarnaast moet de sanctie nog worden gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Overwegingen

Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de foto - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. De kaart was immers niet goed zichtbaar en dat wordt door betrokkene ook niet betwist. De boete is in zoverre dus terecht opgelegd.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd wel aanleiding om de boete te matigen. Daarbij is van belang dat betrokkene ten tijde van de overtreding wel over een geldige gehandicaptenkaart beschikte. De boete zal worden gematigd tot € 30,-.
Overschrijding redelijke termijn
Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de boete opgelegd op 7 februari 2023 en is de redelijke termijn dus met negen maanden overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete van € 30,- nog eens matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskosten
Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen, die als volgt is berekend:
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- = € 453,50
zitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- =
€ 453,50
€ 907,00

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 22,50, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 287,50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.
Als u het niet eens bent met deze beslissing , dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: