Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Verloop van de procedure
Standpunten
Overwegingen
€ 453,50
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 25 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een verkeersboete. De betrokkene had een boete ontvangen voor het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder een duidelijk zichtbare gehandicaptenparkeerkaart. De gedraging vond plaats op 26 januari 2023. De betrokkene heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie, die het beroep ongegrond had verklaard. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de betrokkene aangevoerd dat de gehandicaptenparkeerkaart goed zichtbaar was en dat de rechtsgrond voor de boete ontbrak. Daarnaast werd verzocht om matiging van de boete en een proceskostenvergoeding. De officier van justitie heeft verzocht om gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep, met argumenten voor matiging van de boete.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat de gedraging is verricht, maar heeft ook aanleiding gezien om de boete te matigen, gezien het feit dat de betrokkene over een geldige gehandicaptenparkeerkaart beschikte. De kantonrechter heeft de boete verlaagd tot € 30,- en daarnaast geconstateerd dat er sprake was van overschrijding van de redelijke termijn, wat leidde tot een verdere matiging van 25%. De beslissing van de officier van justitie is gewijzigd, en het bedrag dat de betrokkene te veel had betaald, moet worden terugbetaald. Tevens is een proceskostenvergoeding toegekend, die is berekend op basis van de werkzaamheden van de gemachtigde en de zitting.
De uitspraak is openbaar gedaan en de betrokkene heeft de mogelijkheid om binnen zes weken hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, mits aan de voorwaarden wordt voldaan.