Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 25 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een verkeersboete. De betrokkene had een administratieve sanctie opgelegd gekregen voor het rijden op het trottoir op de Nieuwlandstraat te Tilburg op 16 mei 2022. De betrokkene heeft beroep ingesteld bij de officier van justitie, die het beroep ongegrond verklaarde. Hierop heeft de betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. Tijdens de zitting op 25 november 2025 is de zaak behandeld, waarbij de gemachtigde van de betrokkene, mr. N.G.A. Voorbach, niet aanwezig was. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de gedraging voldoende kon worden vastgesteld, maar dat er sprake was van een schending van de hoorplicht, omdat de betrokkene niet door de officier van justitie was gehoord. Dit leidde tot de conclusie dat het beroep gegrond was. De kantonrechter heeft de boete met 25% gematigd en ook geconstateerd dat er sprake was van overschrijding van de redelijke termijn, wat nog eens leidde tot een verdere matiging van 25%. De uiteindelijke beslissing was dat de boete werd verlaagd tot € 84,37, met een terugbetaling van € 65,63 aan de betrokkene voor te veel betaalde zekerheid. Daarnaast werd een proceskostenvergoeding van € 453,50 toegekend aan de betrokkene.