In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 4 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een verkeersboete. De betrokkene had een administratieve sanctie opgelegd gekregen voor het niet afsluiten en in stand houden van de vereiste verzekering voor zijn bromfiets, zoals vastgesteld door de RDW op 9 oktober 2023. De betrokkene had tegen de beslissing van de officier van justitie, die het beroep ongegrond verklaarde, beroep ingesteld bij de kantonrechter. Tijdens de zitting was de betrokkene niet aanwezig, maar de zittingsvertegenwoordiger van de officier van justitie, D. van der Teen, was wel aanwezig en heeft het standpunt van de officier van justitie toegelicht.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, inderdaad heeft plaatsgevonden. De boete was terecht opgelegd, maar de kantonrechter heeft ook overwogen dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak was overschreden. De boete was opgelegd op 28 november 2023, en de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter had langer dan twee jaar geduurd. Dit leidde tot de beslissing om de boete met 25% te matigen. De kantonrechter heeft het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie gewijzigd, waardoor de boete werd gematigd tot € 315,- plus administratiekosten. Tevens werd de officier van justitie opgedragen om het te veel betaalde bedrag van € 105,- aan de betrokkene terug te betalen.
De uitspraak is openbaar gedaan en de betrokkene heeft de mogelijkheid om binnen 6 weken hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, mits aan de vereisten wordt voldaan.