In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 4 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een verkeersboete. De betrokkene had een administratieve sanctie opgelegd gekregen voor het negeren van een rood verkeerslicht op 16 maart 2023. De officier van justitie had het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard, waarna de betrokkene in beroep ging bij de kantonrechter. Tijdens de zitting op 4 december 2025 heeft de betrokkene aangevoerd dat hij door groen was gereden en twijfelde aan de juistheid van de flitsfoto's. De zittingsvertegenwoordiger van de officier van justitie heeft de kantonrechter verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en de boete met 25% te matigen vanwege een overschrijding van de redelijke termijn.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat de gedraging waarvoor de boete was opgelegd, voldoende was bewezen door de flitsfoto's. Echter, de rechter heeft ook geoordeeld dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, aangezien de procedure langer dan twee jaar had geduurd. Dit leidde tot een gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep, waarbij de boete werd gematigd tot € 210,- en de officier van justitie werd opgedragen een te veel betaald bedrag van € 15,- aan de betrokkene terug te betalen. De uitspraak is openbaar gedaan en de betrokkene heeft de mogelijkheid om binnen zes weken hoger beroep in te stellen.