In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 4 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een verkeersboete. De betrokkene had een administratieve sanctie opgelegd gekregen voor het niet afsluiten van de vereiste verzekering voor een bromfiets, zoals vastgesteld door de RDW op 22 mei 2023. De betrokkene heeft beroep aangetekend tegen de beslissing van de officier van justitie, die het beroep ongegrond verklaarde. Tijdens de zitting op 4 december 2025 was de betrokkene niet aanwezig, maar de zittingsvertegenwoordiger van de officier van justitie, D. van der Teen, was wel aanwezig.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, inderdaad heeft plaatsgevonden. De betrokkene had op 26 mei 2023 de scooter verzekerd, maar de vorige verzekering liep tot 5 april 2023, wat betekent dat de betrokkene bijna twee maanden heeft gewacht met het afsluiten van een nieuwe verzekering. De kantonrechter oordeelde dat de boete terecht was opgelegd, maar dat er sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting. De kantonrechter heeft de boete daarom met 25% gematigd, waardoor het totale bedrag op € 315,- kwam, plus € 9,- administratiekosten.
De beslissing van de officier van justitie is gewijzigd, en het beroep is gedeeltelijk gegrond verklaard. De betrokkene heeft de mogelijkheid om binnen 6 weken hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, mits aan de vereisten wordt voldaan.