In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 23 december 2025, wordt het beroep van eiseres beoordeeld, die stelt dat de Dienst Toeslagen niet tijdig heeft beslist op haar aanvraag om aanvullende compensatie voor werkelijke schade, zoals voorgeschreven door de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is, omdat de Dienst Toeslagen niet binnen de gestelde termijn van negen weken heeft gereageerd op de aanvraag. De rechtbank maakt gebruik van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om zonder zitting uitspraak te doen.
De rechtbank legt de Dienst Toeslagen een beslistermijn op van twee weken na verzending van de uitspraak, met een dwangsom van € 100,- per dag voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, tot een maximum van € 15.000,-. Eiseres krijgt ook een vergoeding voor haar proceskosten van € 453,50, omdat de zaak enkel betrekking had op de overschrijding van de beslistermijn. De rechtbank benadrukt dat de wettelijke beslistermijn op 23 december 2024 is verstreken, en dat de Dienst Toeslagen uiterlijk op 16 februari 2026 een besluit moet nemen. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over hun recht om verzet aan te tekenen tegen deze beslissing.