In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 22 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag van € 10.519 opgelegd voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) na de aangifte van belanghebbende voor een gebruikte auto, een Land Rover Range Rover Sport. Na bezwaar werd de naheffingsaanslag verlaagd tot € 3.848. Belanghebbende heeft beroep ingesteld, waarbij hij aanvoert dat de taxatiemethode van toepassing is vanwege schade aan de auto. De rechtbank heeft de zaak op 11 november 2025 behandeld, waarbij zowel de gemachtigde van belanghebbende als de inspecteur aanwezig waren.
De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag, zoals deze na bezwaar is vastgesteld, terecht is opgelegd. Belanghebbende heeft recht op een immateriële schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, aangezien de procedure langer heeft geduurd dan de redelijke termijn van twee jaar. De rechtbank wijst ook een proceskostenvergoeding toe van € 226,75 aan belanghebbende, die door de inspecteur moet worden vergoed. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is, maar dat belanghebbende recht heeft op de schadevergoeding en proceskostenvergoeding.