ECLI:NL:RBZWB:2025:9143

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/6521
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een naheffingsaanslag BPM en verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 22 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag van € 10.519 opgelegd voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) na de aangifte van belanghebbende voor een gebruikte auto, een Land Rover Range Rover Sport. Na bezwaar werd de naheffingsaanslag verlaagd tot € 3.848. Belanghebbende heeft beroep ingesteld, waarbij hij aanvoert dat de taxatiemethode van toepassing is vanwege schade aan de auto. De rechtbank heeft de zaak op 11 november 2025 behandeld, waarbij zowel de gemachtigde van belanghebbende als de inspecteur aanwezig waren.

De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag, zoals deze na bezwaar is vastgesteld, terecht is opgelegd. Belanghebbende heeft recht op een immateriële schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, aangezien de procedure langer heeft geduurd dan de redelijke termijn van twee jaar. De rechtbank wijst ook een proceskostenvergoeding toe van € 226,75 aan belanghebbende, die door de inspecteur moet worden vergoed. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is, maar dat belanghebbende recht heeft op de schadevergoeding en proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6521

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 augustus 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 10.519 (de naheffingsaanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot € 3.848.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen die beslissing beroep ingesteld.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende, mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur: [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en, zoals deze luidt na bezwaar, niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag zoals deze luidt na bezwaar terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd. Belanghebbende heeft wel recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 4 april 2023 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een uit het buitenland afkomstige, gebruikte personenauto van het merk en type Land Rover Range Rover Sport – D250 HSE Dynamic (hierna: de auto) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 23.142.
4.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport van [bedrijf] met datum 4 april 2023 gevoegd. De taxateur verklaart in dat rapport de auto op 3 april 2023 te hebben geïnspecteerd. Bij het taxatierapport zijn foto’s van de auto opgenomen. In het taxatierapport is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vermeldt van € 83.311, gebaseerd op een referentieauto vermeld in een koerslijst van Xray. Verder heeft de taxateur een schadebedrag van € 9.427 geconstateerd aan de auto, en daarvan 72 procent (€ 6.787) als waardevermindering van de handelsinkoopwaarde in aanmerking genomen. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat heeft de taxateur zodoende vastgesteld op € 76.524.
4.2.
De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat het taxatierapport niet kan dienen voor het doen van aangifte Bpm, omdat uit het taxatierapport blijkt dat de fysieke opname (3 april 2023) plaatsvond na de goedkeuringsdatum van de RDW (29 september 2022). De inspecteur heeft daarom de voor de auto verschuldigde Bpm met toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel berekend op € 33.661.
4.3.
Rekening houdend met de reeds betaalde Bpm, heeft de inspecteur vervolgens de naheffingsaanslag van € 10.519 opgelegd.
4.4.
In bezwaar heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat de Bpm kan worden berekend aan de hand van de koerslijstmethode. De inspecteur heeft de historische nieuwprijs van de auto gesteld op € 152.836, de handelsinkoopwaarde op € 81.160 en de bruto Bpm op € 40.756. De verschuldigde Bpm heeft de inspecteur berekend op € 26.990. De naheffingsaanslag is vervolgens door de inspecteur verminderd tot € 3.848.
4.5.
Belanghebbende heeft tegen die beslissing beroep ingesteld. In beroep voert hij aan dat de taxatiemethode van toepassing is, omdat de auto schade heeft. Bij zijn beroepschrift heeft belanghebbende een aangifte Bpm voor de auto met taxatierapport gevoegd.
4.6.
De bij het beroepschrift gevoegde aangifte is, anders dan de bij de inspecteur ingediende aangifte, gedagtekend op 21 september 2022 en vermeldt een bedrag aan Bpm van € 24.603. Bij de aangifte is een taxatierapport van [bedrijf] gevoegd. In dat taxatierapport stelt de taxateur de auto op 21 september 2022 te hebben geïnspecteerd. Verder zijn bij dat rapport dezelfde foto’s van de auto als bij het taxatierapport van 4 april 2023 gevoegd. Het taxatierapport van 21 september 2022 vermeldt verder een handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat van € 93.978, gebaseerd op een referentieauto vermeld in een koerslijst van Autotelex Pro. Verder heeft de taxateur een schadebedrag van € 11.007 geconstateerd aan de auto, en daarvan 72 procent (€ 7.925) als waardevermindering van de handelsinkoopwaarde in aanmerking genomen. Ook heeft de taxateur wegens andere waardeverminderende factoren in totaal € 4.699 in mindering op de handelsinkoopwaarde gebracht. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat heeft de taxateur in het taxatierapport van 21 september 2022 zodoende vastgesteld op € 81.354.

Motivering

5. Belanghebbende voert aan dat de auto beschadigd was, hetgeen leidt tot een waardevermindering van de handelsinkoopwaarde. In de naheffingsaanslag is daar ten onrechte geen rekening mee gehouden, aldus belanghebbende.
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. De inspecteur heeft er ter zitting terecht op gewezen dat de aangifte en het taxatierapport zoals deze bij het beroepschrift zijn overgelegd (zie 4.6) inhoudelijk verschillen van de aangifte en het taxatierapport zoals de inspecteur die heeft ontvangen (zie 4 en 4.1). Desgevraagd heeft belanghebbende geen verklaring kunnen geven voor deze verschillende aangiften en taxatierapporten.
5.2.
De rechtbank beschikt nu over twee inhoudelijk verschillende aangiften en twee inhoudelijk verschillende taxatierapporten, bovendien van verschillende data. De schade aan de auto wordt in de verschillende taxatierapporten anders omschreven en bovendien wijken de bedragen van de schade in de rapporten ook af. Bij beide taxatierapporten zijn echter dezelfde foto’s van de auto gevoegd. Gelet op deze verschillende taxatierapporten en het feit dat belanghebbende hier geen verklaring voor kan geven, acht de rechtbank de taxatierapporten van belanghebbende ongeloofwaardig. Om die reden schuift de rechtbank de taxatierapporten van belanghebbende ter zijde. Dat leidt ertoe dat de verschuldigde Bpm van de auto in dit geval niet aan de hand van de taxatiemethode kan worden bepaald.
5.3.
De inspecteur heeft om die reden de naheffingsaanslag, die na bezwaar is bepaald aan de hand van de koerslijstmethode, terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
5.4.
Belanghebbende heeft op 30 oktober 2025 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. Dat verzoek is weliswaar gedaan na uitspraak van de Hoge Raad van 14 juni 2024 [1] , maar omdat het financiële belang bij de procedure meer beloopt dan € 1.000 heeft belanghebbende, bij overschrijding van de redelijke termijn, toch recht op een immateriële schadevergoeding.
5.5.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 27 oktober 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 22 december 2025. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond twee maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 500.
5.6.
Omdat de bezwaarfase afgerond elf maanden heeft geduurd en daarmee vijf maanden te lang komt de schadevergoeding geheel voor rekening van de inspecteur.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 500.
6.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 907 en wegingsfactor 0,25 [2] , wat neerkomt op € 226,75. De inspecteur moet die kosten vergoeden.
6.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is namelijk niet gedaan vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [3] , en bovendien was de redelijke termijn op deze datum ook nog niet overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 226,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

2.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
3.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, ro. 7.1.1 en 7.1.2.