ECLI:NL:RBZWB:2025:9138

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
BRE 23/11167
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag BPM en verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 22 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) beoordeeld. De inspecteur had aan belanghebbende een naheffingsaanslag van € 4.677 opgelegd, na een bezwaar dat ongegrond was verklaard. Belanghebbende had aangifte gedaan voor de registratie van een gebruikte BMW X5 en stelde dat de naheffingsaanslag ten onrechte was opgelegd, omdat onvoldoende rekening was gehouden met schade aan de auto. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, maar dat belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank concludeert dat de inspecteur en de Staat elk een deel van deze schadevergoeding moeten betalen. De rechtbank wijst ook op de proceskosten die vergoed moeten worden aan belanghebbende. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11167

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.677 (de naheffingsaanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen die beslissing beroep ingesteld.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende, mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur: [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd. Belanghebbende heeft wel recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft aangifte gedaan ter zake van de registratie van een uit het buitenland afkomstige, gebruikte personenauto van het merk en type BMW X5 – M50d High Executive (hierna: de auto) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 10.023. In de aangifte is vermeld dat de auto een CO2-uitstoot heeft van 181 gram per kilometer (gr/km) (NEDC). Verder is in de aangifte aangegeven een historische nieuwprijs van de auto van € 150.872, een netto catalogusprijs van € 97.663, historische bruto Bpm van € 32.697 en handelsinkoopwaarde van € 46.250.
4.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport van [bedrijf 1] B.V. met datum 28 maart 2022 gevoegd. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 59.000. De taxateur schrijft daarover dat de gemiddelde vraagprijs van deze auto € 84.000 betreft, maar hij in verband met de te hanteren handelsinkoopwaarde ongeveer 30 procent van die vraagprijs heeft afgetrokken. Verder heeft de taxateur schade aan de auto geconstateerd die tot reparatiekosten van € 14.008,79 leiden. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat heeft de taxateur vastgesteld op € 46.250.
4.2.
De inspecteur heeft op 4 april 2022 een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen daarvan zijn in een rapport vastgelegd. Het DRZ-rapport vermeldt geen waardevermindering wegens schade. In het rapport is daarover opgemerkt: “Alle opgegeven schade is
nietaangetroffen of valt onder gebruiksschade.”
4.3.
Naar aanleiding van het DRZ-rapport heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende te weinig Bpm heeft voldaan. De inspecteur heeft de historische bruto Bpm gesteld op € 32.697 de historische nieuwprijs op € 150.850 en de handelsinkoopwaarde op € 67.832. De inspecteur heeft de voor de auto verschuldigde Bpm aan de hand van de koerslijst zonder correctie voor schade berekend op € 14.700.
4.4.
Rekening houdend met de reeds betaalde Bpm, heeft de inspecteur vervolgens de naheffingsaanslag van € 4.677 opgelegd.

Motivering

5. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat onvoldoende rekening is gehouden met de door hem gestelde schade. In beroep bepleit belanghebbende een schadebedrag van € 4.356, hetgeen tot een waardevermindering van de handelsinkoopwaarde van € 3.136 moet leiden. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft belanghebbende een reparatienota overgelegd van “ [bedrijf 2] ” waarop een bedrag van € 4.356 is genoemd vanwege het herstel van onder meer een portiers, schermen, motorkap, bumper, velgen en de instapdorpel. De factuur is opgemaakt op 14 juli 2022.
5.1.
De inspecteur betwist dat sprake is van schade aan de auto waarmee ter bepaling van de handelsinkoopwaarde rekening moet worden gehouden. Ten aanzien van de reparatiefactuur voert de inspecteur aan dat die factuur niet kan dienen ter onderbouwing van het bewijs van de schadeposities, omdat de factuur drie en een halve maand na het belastbaar feit is opgemaakt en bovendien het taxatierapport en de inkoopfactuur van de auto deze schades weerspreken.
5.2.
De rechtbank merkt als eerste op dat de bewijslast voor de in aanmerking te nemen schade op belanghebbende rust. Belanghebbende dient de omvang van de schade, en de invloed daarvan op de handelsinkoopwaarde, aannemelijk te maken. De rechtbank merkt op dat zij géén expert is in de waardering van auto’s. De rechtbank is daarom in hoge mate afhankelijk van wat partijen aandragen, indien een geschil bestaat over de vraag of en zo ja in hoeverre er sprake is van schade. Belanghebbende heeft daartoe een taxatierapport overgelegd waarin een omschrijving van de schade is opgenomen en ter onderbouwing daarvan foto’s overgelegd van de auto. Verder heeft belanghebbende een reparatiefactuur overgelegd. De taxateur van DRZ heeft zijn “bevindingen/opmerkingen” in zijn taxatierapport opgenomen.
5.3.
De rechtbank stelt voorop dat normale gebruiksschade niet in mindering gebracht kan worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Onder normale gebruiksschade dient te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig. [1] Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende met het overleggen van een reparatiefactuur die dateert van enkele maanden na het belastbaar feit, de door hem gestelde schade aan de auto op het moment van het belastbaar feit niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank ziet op het in het dossier aanwezige fotomateriaal geen bevestiging van de op de reparatiefactuur genoemde schade, en ook de inkoopfactuur en bevindingen van DRZ onderbouwen niet de stelling dat die schade op dat moment (reeds) aanwezig was. Verder heeft belanghebbende ook zijn stelling dat sprake zou zijn van een binnen de branche ontwikkeld beleid voor wat betreft het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade, gebaseerd op het innameprotocol van [bedrijf 3] , in het kader van de Bpm niet aannemelijk gemaakt. De handelsinkoopwaarde wordt dus niet verminderd in verband met schade.
5.5.
Gelet op voorgaande heeft de inspecteur de naheffingsaanslag Bpm terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
5.6.
Belanghebbende heeft op 27 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
5.7.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 5 oktober 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 22 december 2025. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond vijftien maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
5.8.
Omdat de bezwaarfase afgerond dertien maanden heeft geduurd en daarmee zeven maanden te lang komt € 700 (7/15e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 800) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
6.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 907 en wegingsfactor 0,25 [2] , wat neerkomt op € 226,75. De inspecteur en de Staat moeten, ieder voor de helft, die kosten vergoeden.
6.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is weliswaar gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [3] , echter de redelijke termijn was op deze datum nog niet overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 700;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 800;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 113,37 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van € 113,38 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 2, aanhef en onderdeel c, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.
2.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
3.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, ro. 7.1.1 en 7.1.2.