ECLI:NL:RBZWB:2025:9097

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/5980
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep middeling belastingverzoek ongegrond verklaard

Belanghebbende heeft verzet aangetekend tegen de uitspraak van 14 februari 2025, waarin zijn beroep op het verzoek om middeling van belasting niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege het niet tijdig voldoen van het griffierecht.

De rechtbank heeft in deze uitspraak het verzet beoordeeld en geconcludeerd dat belanghebbende geen tijdig beroep op betalingsonmacht heeft gedaan, ondanks dat hij stelde niet over voldoende financiële middelen te beschikken. De rechtbank benadrukt dat een beroep op betalingsonmacht vóór het verstrijken van de betalingstermijn van het griffierecht kenbaar moet worden gemaakt.

Omdat belanghebbende niet aan deze vereiste heeft voldaan en ook na een aangetekende aanmaning geen melding maakte van betalingsonmacht, is het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard en niet inhoudelijk behandeld. Het verzet is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van 14 februari 2025 blijft in stand.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen en griffier W. Dekkers op 19 december 2025 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op middeling wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5980

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] (Frankrijk), belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 14 februari 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 14 februari 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep ziet op de beslissing van de inspecteur op het verzoek om middeling van belanghebbende.
2. Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 14 februari 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
4. Belanghebbende voert in verzet aan dat hij niet beschikte over voldoende financiële middelen om het griffierecht te voldoen. Belanghebbende hoopte dat hij het griffierecht achteraf kon betalen, als zijn financiële situatie het toeliet. Belanghebbende was niet in staat om de dag van de zitting aanwezig te zijn en vindt dat het beroepschrift niet in behandeling is genomen.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Van de indiener van een beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven. Als het griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven, wordt het beroepschrift niet-ontvankelijk verklaard. [2] Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk behandeld.
7. In de gevallen waarin de heffing van griffierecht het voor een rechtzoekende uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang kan de rechtszoekende een beroep op betalingsonmacht doen. Een beroep op betalingsonmacht moet zo spoedig mogelijk, maar in elk geval voor het einde van de betalingstermijn als vermeld op de nota griffierecht, aan de rechtbank kenbaar worden gemaakt. [3]
8. De rechtbank oordeelt dat wat in verzet is aangevoerd geen reden is om terug te komen op de uitspraak van 14 februari 2025. Belanghebbende stelt dat hij niet over de financiële middelen beschikte om het griffierecht te voldoen. Belanghebbende heeft echter geen beroep op betalingsonmacht gedaan naar aanleiding van de verzonden nota. Ook nadat een aangetekende aanmaning is verzonden om het griffierecht te voldoen heeft hij niet te kennen gegeven dat hij dit niet zou kunnen betalen. In beide nota’s wordt de mogelijkheid van een beroep op betalingsonmacht benoemd. Een beroep op betalingsonmacht moet worden gedaan vóórdat de termijn voor het betalen van het griffierecht is verstreken. Gelet hierop is zonder zitting op juiste gronden het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is dan ook terecht niet inhoudelijk behandeld.

Conclusie en gevolgen

9. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 14 februari 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 19 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:41 van Pro de Awb.
3.Uitspraak Hoge Raad van 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:354 r.o. 2.3.5.