Op 17 december 2025 heeft de enkelvoudige geheimhoudingskamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een beslissing genomen in de zaak tussen een belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst. De inspecteur had op 8 mei 2024 een verzoek om geheimhouding ingediend, waarin hij stelde dat bepaalde stukken geheim moesten blijven vanwege privacyredenen en strategische overwegingen. De belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen dit verzoek en betoogd dat de inspecteur onvoldoende uitleg had gegeven en dat er geen gewichtige redenen waren voor geheimhouding. De rechtbank heeft de geheimhoudingskamer in staat gesteld om het verzoek te beoordelen zonder een mondelinge behandeling, omdat de belanghebbende geen zitting had aangevraagd.
De geheimhoudingskamer heeft de stukken beoordeeld en geconcludeerd dat de privacy van ambtenaren en derden, evenals de vertrouwelijkheid van intern beraad, gewichtige redenen zijn voor geheimhouding. De kamer heeft echter ook vastgesteld dat niet alle verzoeken om geheimhouding gerechtvaardigd zijn. De inspecteur werd opgedragen om een geschoonde versie van bepaalde stukken te overleggen, waarbij namen en andere persoonsgegevens gelakt mochten worden. De beslissing is openbaar gemaakt en de inspecteur is verzocht om binnen zes weken te reageren op de beslissing van de geheimhoudingskamer.