ECLI:NL:RBZWB:2025:8955

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
23/11107
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een naheffingsaanslag Bpm en de toekenning van immateriële schadevergoeding

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 16 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende, een B.V., tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.682, welke door belanghebbende werd betwist. De rechtbank heeft op 4 november 2025 de zaak behandeld, waarbij belanghebbende werd vertegenwoordigd door mr. M.U. Sahin en de inspecteur door twee inspecteurs. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag onterecht was en vermindert deze tot € 4.425. Tevens wordt een immateriële schadevergoeding van € 500 toegekend aan belanghebbende vanwege de overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De rechtbank concludeert dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden en dat de proceskosten, ter hoogte van € 3.108, ook door de inspecteur moeten worden vergoed. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11107

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd in [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.682.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moeten worden verklaard en dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op 6 april 2023 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Mercedes Benz V-klasse 300d met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 9.824.
3.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [bedrijf] B.V. van 4 april 2023. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 42.246, gebaseerd op een koerslijst van Xray. De taxateur heeft een schadebedrag van € 10.927 geconstateerd en daarvan € 9.834 op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Ook is een bedrag van € 2.112 wegens “geen NAP/oordeel RDW km-stand onlogisch” als waardevermindering in aanmerking genomen evenals een bedrag van € 2.112 wegens een “correctie afwijkende bruto Bpm”. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 28.187.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een rapport van 18 april 2023. De hertaxateur heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld op € 46.997 aan de hand van een koerslijst van Xray. De hertaxateur heeft geen aanleiding gezien om een waardevermindering wegens schade in aanmerking te nemen.
3.3.
De inspecteur heeft op basis van de hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 14.506. Met dagtekening 14 juli 2023 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 4.682 aan verschuldigde Bpm.

Overwegingen

Vooraf: Verzoek inspecteur om toepassing artikel 8:45 van de Awb
4. De inspecteur heeft belanghebbende verzocht om de volgende stukken te overleggen: de inkoopfactuur (alsmede bankoverschrijving) waaruit het totale aankoopbedrag van deze auto blijkt, de verkoopfactuur, de verkoopovereenkomst en een betaalbewijs van de verkoopfactuur. Naar mening van de inspecteur moet de rechtbank bij het niet overleggen van de stukken eveneens erop staan dat deze gegevens worden overgelegd. Volgens de inspecteur is de inkoopfactuur noodzakelijk voor het door de rechtbank te geven oordeel over de onderhavige zaak. De rechtbank vat dit op als een verzoek om toepassing van artikel 8:45 van de Awb.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 8:45, lid 1, van de Awb de rechtbank (onder meer) de bevoegdheid geeft om partijen en anderen te verzoeken om onder hen berustende stukken in te zenden. Het staat de rechtbank vrij om alleen dan gebruik te maken van deze bevoegdheid indien haar dit in het kader van de op haar rustende taak zinvol voorkomt. [1] De rechtbank wijst het verzoek van de inspecteur af. Daarbij wijst de rechtbank erop dat de inkoopfactuur in deze zaak reeds bij het taxatierapport is gevoegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om een betaalbewijs van de inkoopfactuur op te vragen. Wat de auto heeft opgebracht bij verkoop, acht de rechtbank in dit geval niet van belang voor de beoordeling van de inkoopwaarde.
Inhoudelijk
5. Tussen partijen is in geschil welke afschrijvingsmethode moet worden gevolgd. Verder is in geschil de hoogte van de historische nieuwprijs, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat en of een waardevermindering wegens schade in aanmerking moet worden genomen.
Afschrijvingsmethode
5.1.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. [2]
Is sprake van meer dan normale gebruiksschade?
5.2.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 10.927 en deze voor 90% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. De taxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto twee jaar oud is en ruim 40.000 kilometer heeft gereden. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een waardevermindering wegens “geen NAP/oordeel RDW km-stand onlogisch” in aanmerking te nemen en om een “correctie afwijkende bruto Bpm” toe te passen. Verder heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van een Nederlands instructieboekje een waardeverminderend effect heeft. Al hetgeen de inspecteur met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer.
5.4.
Het voorgaande brengt met zich dat de afschrijving voor de auto in het onderhavige geval niet kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van schade. Belanghebbende heeft voor dat geval een beroep gedaan op de koerslijstmethode.
Historische nieuwprijs
5.5.
De rechtbank leidt uit de stukken af dat beide partijen uitgaan van een netto catalogusprijs van € 66.182. De rechtbank stelt de historische nieuwprijs daarom vast op € 114.927 zoals door belanghebbende bepleit en verwijst hiervoor naar hetgeen de Hoge Raad heeft bepaald in zijn arrest van 22 december 2023. [3]
Handelsinkoopwaarde
5.6.
Belanghebbende bepleit een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 46.997 zoals volgt uit de koerslijst van Xray die door DRZ bij de hertaxatie is gebruikt.
5.7.
De inspecteur stelt zich nader op het standpunt dat als de historische nieuwprijs van de auto hoger is dan van de referentieauto dit er tevens toe leidt dat de handelsinkoopwaarde van de auto hoger is. De inspecteur stelt dat de hoogte van de handelsinkoopwaarde recht evenredig samen hangt met de verhoging van de historische nieuwprijs, omdat de mate van afschrijving gelijk is aan die van de referentieauto en het afschrijvingspercentage dus gelijk blijft.
5.8.
De rechtbank volgt de stelling van de inspecteur niet. De rechtbank vindt voor de stelling dat het afschrijvingspercentage gelijk moet zijn aan die van de referentieauto ook geen aanknopingspunten in het onder 5.5. vermelde arrest van de Hoge Raad, zoals de inspecteur heeft gesteld. De rechtbank leidt uit rechtsoverwegingen 3.2.3 en 3.4. van het arrest van de Hoge Raad juist het tegendeel af, te weten dat het afschrijvingspercentage niet per definitie gelijk blijft. Het uitgangspunt is dat de werkelijke waardedaling voldoende wordt benaderd.
5.9.
De inspecteur heeft verder nog gesteld dat uit de koerslijst van Xray een te lage handelsinkoopwaarde volgt omdat de auto grotere velgen (19 inch) heeft dan het referentievoertuig (17 inch) wat niet is meegenomen in de koerslijst en ook invloed heeft op de hoogte van de CO2-uitstoot. Daarom moet worden uitgegaan van de koerslijst van AutotelexPro die de inspecteur bij zijn stukken heeft overgelegd waaruit een handelsinkoopwaarde volgt van € 64.245.
5.10.
Belanghebbende heeft deze stelling ter zitting gemotiveerd betwist en erop gewezen dat in de koerslijst van Xray als optie het AMG Sportpakket staat vermeld waaruit is af te leiden dat ook in deze koerslijst rekening is gehouden met de grotere velgen. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende met hetgeen zij daarover ter zitting heeft verklaard, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de grotere velgen als optie in de koerslijst van Xray is verdisconteerd.
5.11.
Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de koerslijst buiten beschouwing te laten gelet op het verschil in CO2-uitstoot van 4 gr/km tussen de auto en het referentievoertuig, zoals de inspecteur heeft gesteld. Uit interne correspondentie van de Belastingdienst die belanghebbende als nader stuk heeft overgelegd [4] , blijkt immers dat op grond van intern beleid kleinere verschillen in CO2-uitstoot toepassing van de koerslijst niet verhinderen.
5.12.
De rechtbank stelt de handelsinkoopwaarde daarom vast op € 46.997 zoals volgt uit de koerslijst van Xray die bij de hertaxatie is gebruikt.
Hoogte naheffingsaanslag
5.13.
Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 114.927, een handelsinkoopwaarde van € 46.997 en een bruto Bpm van € 34.847 stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast op € 14.249. Belanghebbende heeft op aangifte reeds een bedrag van € 9.824 voldaan zodat de naheffingsaanslag moet worden verlaagd naar € 4.425. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval interne compensatie toe te passen zoals de inspecteur ter zitting heeft verzocht.
Immateriële schadevergoeding
5.14.
Belanghebbende heeft op 23 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
5.15.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 28 juli 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 16 december 2025. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond vijf maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 500.
5.16.
Omdat de bezwaarfase afgerond vier maanden heeft geduurd en daarmee niet te lang komt dit volledig bedrag voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
6.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647. [5] In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.108.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.425;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.108 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [6]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1049.
2.Artikel 10, lid 8, van de Wet Bpm.
4.E-mail van 15 april 2024 met als titel “Terugkoppeling platform koerslijsten en beleid m.b.t. toepassen koerslijsten”.
6.Artikel 27h, lid 3, en artikel 28, lid 7, van de AWR.