ECLI:NL:RBZWB:2025:8839

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/4332
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag accijns en verbruiksbelasting

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Zeeland-West-Brabant het beroep van belanghebbende, een B.V., tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst. De inspecteur had aan belanghebbende een naheffingsaanslag accijns van € 11.639,74 en een naheffingsaanslag verbruiksbelasting van € 57,22 opgelegd, samen met een verzuimboete van € 1.163,97. De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2025 behandeld, waarbij belanghebbende werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde en de inspecteur door meerdere vertegenwoordigers. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag accijns terecht is opgelegd, maar dat de naheffingsaanslag verbruiksbelasting onterecht is. De rechtbank concludeert dat belanghebbende niet feitelijk de goederen heeft vervoerd en dat de verbruiksbelasting niet bij haar kon worden nageheven. De rechtbank vermindert de verzuimboete tot € 989,37 vanwege overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak. Tevens wordt de belastingrentebeschikking verminderd in verband met de vernietiging van de naheffingsaanslag verbruiksbelasting. De rechtbank wijst ook een schadevergoeding toe aan belanghebbende wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/4332

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats 1] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.L. Smits-Emons),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 19 maart 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende op één aanslagbiljet een naheffingsaanslag accijns van € 11.639,74 (de naheffingsaanslag accijns) en een naheffingsaanslag verbruiksbelasting van € 57,22 opgelegd (de naheffingsaanslag verbruiksbelasting).
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslagen heeft de inspecteur € 391 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en een verzuimboete van € 1.163,97 opgelegd (de boetebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende: [persoon 1] en de gemachtigde van belanghebbende. Namens de inspecteur hebben [inspecteur 1] , mr. drs. [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de belastingrentebeschikking en de boetebeschikking terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag met betrekking tot de accijns terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd. Met betrekking tot de verbruiksbelasting is de naheffingsaanslag ten onrechte opgelegd. De belastingrentebeschikking dient in verband hiermee te worden verminderd. De boetebeschikking is terecht en niet tot een te hoog bedrag vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende is een overeenkomst aangegaan voor het uitvoeren van twee transporten in opdracht van een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde onderneming handelend onder de naam [bedrijf 1] Ltd. Beide transporten vonden plaats op 13 juli 2021 en in beide gevallen werden de goederen van Duitsland naar Nederland vervoerd.
3.1.
Met betrekking tot het eerste transport werden de goederen volgens de ‘shipping note’ van [bedrijf 2] GmbH te [plaats 2] (Duitsland) naar [bedrijf 1] Ltd., [adres 1] vervoerd. Het transport betrof 29 pallets aan accijnsgoederen (bier) en één pallet met verbruiksbelastinggoederen (limonade).
3.2.
Met betrekking tot het tweede transport werden de goederen volgens de ‘shipping note’ van [bedrijf 2] GmbH te [plaats 2] (Duitsland) naar [bedrijf 1] Ltd., [adres 2] vervoerd. Het transport betrof 11 pallets aan verschillende accijnsgoederen.
3.3.
Belanghebbende staat als vervoerder vermeld op de CMR vrachtbrieven.
3.4.
De chauffeur die de transporten heeft uitgevoerd was in dienst van een aan belanghebbende gelieerde Bulgaarse vennootschap, te weten [bedrijf 3] .
3.5.
Belanghebbende is met haar opdrachtgever een bedrag van in totaal € 1.200 overeengekomen voor het vervoeren van beide zendingen en heeft dit bedrag contant aan haar laten betalen.
3.6.
Voor beide verzendingen is geen accijns of verbruiksbelasting op aangifte voldaan in Nederland.
3.7.
Op 8 april 2022 heeft de inspecteur aangekondigd een administratief onderzoek bij belanghebbende uit te voeren.
3.8.
Op 6 mei 2022 heeft de inspecteur het concept controlerapport en zijn voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag aan belanghebbende toegestuurd. Hierbij heeft de inspecteur tevens aangekondigd een verzuimboete op te zullen leggen.
3.9.
Bij brief van 15 juli 2022 heeft de inspecteur zijn definitieve controlerapport naar belanghebbende gestuurd.
3.10.
Met dagtekening 21 september 2022 heeft de inspecteur de naheffingsaanslagen opgelegd. Daarnaast heeft de inspecteur de belastingrentebeschikking en de boetebeschikking vastgesteld.

Motivering

4. Belanghebbende stelt dat zij de goederen nooit voorhanden heeft gehad. Zij heeft de transporten niet verricht, maar heeft deze doen verrichten. Belanghebbende heeft het daadwerkelijke transport uitbesteed aan [bedrijf 3] en heeft de goederen zelf niet feitelijk onder zich gehad. Daarnaast voert belanghebbende aan dat de verschuldigde accijnzen in Duitsland zijn betaald. Ten aanzien van de limonade merkt belanghebbende voorts op dat de verbruiksbelasting niet is gebaseerd op Europese regelgeving, waardoor het begrip “voorhanden hebben” restrictiever moet worden uitgelegd. Tot slot stelt belanghebbende met betrekking tot de verzuimboete dat sprake is van afwezigheid van alle schuld.
4.1.
De inspecteur stelt primair dat belanghebbende de goederen feitelijk voorhanden heeft gehad en subsidiair dat belanghebbende betrokken was bij de onregelmatigheid die zich heeft voorgedaan tijdens de overbrenging van de accijnsgoederen en dat de accijns daarom terecht bij belanghebbende zijn nageheven. Met betrekking tot de verbruiksbelasting stelt de inspecteur dat zich bij het vervoer een onregelmatigheid heeft voorgedaan waarvoor belanghebbende verantwoordelijk kan worden gehouden. Op grond hiervan is ook de verbruiksbelasting terecht nageheven. Nu belanghebbende vanwege een onregelmatigheid tijdens het transport, waarvoor zij verantwoordelijk wordt gehouden, heeft nagelaten om de accijns op aangifte te voldoen, is de verzuimboete volgens de inspecteur terecht aan haar opgelegd.
Accijns
4.2.
Accijns wordt verschuldigd ter zake van de uitslag tot verbruik van accijnsgoederen. [1] Op grond van artikel 2e, eerste lid, van de WA wordt als uitslag tot verbruik mede aangemerkt het in Nederland, om aldaar te worden geleverd of gebruikt, voor commerciële doeleinden voorhanden hebben van accijnsgoederen die in een andere lidstaat reeds tot verbruik zijn uitgeslagen. Onder voor commerciële doeleinden voorhanden hebben wordt onder meer verstaan het voorhanden hebben van accijnsgoederen door anderen dan particulieren. [2] Artikel 2e, eerste lid van de WA vindt geen toepassing tijdens de overbrenging van een accijnsgoed vanuit een andere lidstaat naar Nederland, indien de overbrenging van een accijnsgoed vanuit een andere lidstaat naar Nederland plaatsvindt onder dekking van een vereenvoudigd administratief geleidedocument, de inspecteur voorafgaand aan de verzending van de accijnsgoederen in kennis wordt gesteld van de verzending van de goederen en zekerheid wordt gesteld voor de accijns die verschuldigd kan worden. [3]
4.3.
De accijns kan onder andere worden geheven van de persoon die de levering verricht, of die de voor de levering bestemde goederen voorhanden heeft. [4] Indien tijdens een overbrenging van accijnsgoederen in Nederland een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden, is artikel 2e, eerste lid, van de WA ook van toepassing. [5] In dit geval kan de accijns ook worden geheven bij eenieder die bij de onregelmatigheid betrokken is geweest. [6]
4.4.
De rechtbank overweegt als volgt. De transporten vonden plaats onder dekking van een vereenvoudigd administratief geleidedocument, maar de inspecteur is niet voorafgaand aan de verzending op de hoogte gesteld van de verzending. Ook is geen zekerheid gesteld voor de accijns. Niet in geschil is dat de goederen zich op 13 juli 2021 in Nederland bevonden en voorhanden waren bij anderen dan particulieren. Dit betekent dat op 13 juli 2021 sprake was van uitslag tot verbruik in de zin van artikel 2e, eerste lid, van de WA. Voor accijnsgoederen is in de Europese Unie maar éénmaal accijns verschuldigd. Daarom kan de eerder in Duitsland betaalde accijns worden teruggevraagd wanneer de goederen in Nederland in de heffing worden betrokken en de accijns is geïnd. Of al dan niet van deze teruggaafregeling gebruik wordt gemaakt, doet echter niet af aan het in Nederland begane belastbare feit.
4.5.
Uit het controlerapport volgt dat de inspecteur de adressen heeft bezocht waar de goederen geleverd zouden zijn. De opdrachtgever was niet gevestigd op deze adressen. Vertegenwoordigers van de op de adressen gevestigde bedrijven hebben verklaard dat zij de goederen niet in ontvangst hebben genomen. Ter onderbouwing van de levering van de goederen in [plaats 3] en [plaats 4] heeft belanghebbende e-mails van 28 juni 2022 overgelegd waarin de opdrachtgever bevestigt de goederen op de genoemde adressen in ontvangst te hebben genomen. De rechtbank acht deze e-mails onvoldoende om aannemelijk te maken dat de goederen geleverd zijn op de genoemde adressen in [plaats 3] en [plaats 4] . Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [bedrijf 1] Ltd. reeds was opgeheven op de datum van de e-mailberichten. Ook is onbekend wat de relatie is tussen de persoon die de e-mail heeft verzonden en [persoon 2] , mede gelet op de omstandigheid dat de berichten zijn verzonden via een gmail-adres. Nu onbekend is waar de goederen in Nederland zijn gebleven, heeft bij de overbrenging van de goederen een onregelmatigheid plaatsgevonden.
4.6.
Belanghebbende heeft met een opdrachtgever een overeenkomst gesloten en twee transporten geregeld vanuit Duitsland naar Nederland. Belanghebbende heeft voor deze transporten de truck en trailer verschaft en een chauffeur ingeleend bij een gelieerde vennootschap. Belanghebbende stond ook op alle vervoersdocumenten als vervoerder vermeld. Belanghebbende heeft de betaling voor het transport van de opdrachtgever in ontvangst genomen. Gelet op de rol van belanghebbende bij het transport was belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank tenminste betrokken bij de onregelmatigheid die bij de overbrenging van de goederen heeft plaatsgevonden. De inspecteur heeft de accijns daarom terecht bij belanghebbende nageheven.
Verbruiksbelasting
4.7.
Verbruiksbelasting wordt geheven ter zake van de uitslag en invoer van alcoholvrije dranken. [7] Als uitslag voor gebruik wordt voor de verbruiksbelasting onder meer aangemerkt het voorhanden hebben van alcoholvrije dranken waarvan de belasting niet is geheven, door een ondernemer in het kader van zijn onderneming, anders dan in een inrichting die voor dat soort goed als zodanig is aangewezen. [8] In dit geval wordt de verbruiksbelasting geheven bij degene die de alcoholvrije dranken voorhanden had. [9] De vervoerder van alcoholvrije dranken is hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag aan belasting dat wordt vertegenwoordigd door de hoeveelheid van die goederen waarvan de belasting niet is geheven, indien tijdens dat vervoer door hem of door zijn toedoen een onregelmatigheid of een overtreding is begaan. [10]
4.8.
Voor de verbruiksbelasting geldt een andere toets dan voor de accijns. Bij de heffing van de verbruiksbelasting speelt betrokkenheid bij het voorhanden hebben van verbruiksbelastinggoederen geen rol [11] . Bij de toepassing van artikel 4, eerste lid van de WVAD kan de verbruiksbelasting slechts worden geheven van degene die de verbruiksgoederen voorhanden had. Gelet op de rol van belanghebbende bij de transporten (zie 4.6) brengt dit naar het oordeel van de rechtbank mee dat de verbruiksbelasting niet bij belanghebbende kon worden nageheven. De inspecteur heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de goederen feitelijk zelf heeft vervoerd en voorhanden had. De naheffingsaanslag voor de verbruiksbelasting is ten onrechte aan belanghebbende opgelegd.
De verzuimboete
4.9.
De inspecteur kan een verzuimboete opleggen indien de belastingplichtige de belasting welke op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald. [12] Nu belanghebbende betrokken was bij de onregelmatigheid bij de overbrenging van de accijnsgoederen, had belanghebbende de accijns op aangifte moeten voldoen. Belanghebbende heeft dit nagelaten en heeft daarmee het hiervoor omschreven beboetbare feit begaan.
4.10.
De mate van verwijtbaarheid speelt voor de verzuimboete geen rol, maar de boete moet achterwege blijven indien sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Voor een geslaagd beroep op avas moet belanghebbende aannemelijk maken dat hij in de gegeven omstandigheden alle in redelijkheid van hem te vergen zorg heeft betracht om ervoor te zorgen dat het verzuim niet zou worden begaan. Vanwege de in 4.6 omschreven rol die belanghebbende had bij het opzetten van de transporten is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van afwezigheid van alle schuld.
4.11.
Het wettelijke maximum voor de verzuimboete was in het jaar 2021 € 5.514. [13] De inspecteur heeft een boete opgelegd van € 1.163,97. Belanghebbende heeft geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om de boete te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is de boete passend en geboden.
4.12.
De rechtbank constateert ambtshalve dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie (undue delay). Belanghebbende is op 6 mei 2022 in kennis gesteld van het voornemen van de inspecteur om een verzuimboete op te leggen. De rechtbank doet op 10 december 2025 uitspraak. De redelijke termijn is daardoor overschreden met een periode van meer dan een jaar, maar minder dan twee jaar. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de verzuimboete te verminderen met 15% naar € 989,37. [14]
De belastingrente
4.13.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Nu de naheffingsaanslag verbruiksbelasting wordt vernietigd, dient ook de belastingrentebeschikking te worden verminderd voor zover deze samenhangt met de naheffingsaanslag verbruiksbelasting.
Overschrijding van de redelijke termijn
4.14.
Belanghebbende maakt aanspraak op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de geschillen beslecht hadden moeten zijn. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. [15] Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade.
4.15.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ontvangen op 5 oktober 2022. De inspecteur heeft op 19 maart 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 10 december 2025. De redelijke termijn is daarmee in beginsel overschreden met 1 jaar en 3 maanden. De rechtbank ziet echter in de omstandigheid dat de gemachtigde voor de tweede maal om uitstel heeft verzocht voor de motivering van het bezwaar reden om de redelijke termijn te verlengen met een maand. In de omstandigheid dat de inspecteur twee maanden heeft moeten wachten op informatie uit Duitsland ziet de rechtbank, anders dan de inspecteur, geen aanleiding om de redelijke termijn verder te verlengen. Rekening houdend met een verlenging van de redelijke termijn van een maand bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn een jaar en twee maanden (14 maanden). Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding van € 1.500. Aangezien de omstandigheden die leiden tot verlenging van de redelijke termijn zich in de bezwaarfase hebben voorgedaan, rekent de rechtbank de overschrijding met 11 maanden toe aan de bezwaarfase. Het resterende gedeelte van 3 maanden wordt toegerekend aan de behandeling van het beroep. Dit leidt ertoe dat van de toegekende immateriëleschadevergoeding € 1.178,57 (11/14e deel van € 1.500) voor rekening komt van de inspecteur. Het restant van € 321,43 (3/14e deel van € 1.500) komt voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre aan als partij in het geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vernietigt de naheffingsaanslag verbruiksbelasting. De rechtbank handhaaft de naheffingsaanslag accijns. De belastingrentebeschikking wordt verminderd voor zover deze samenhangt met de naheffingsaanslag verbruiksbelasting. De verzuimboete wordt verminderd tot € 989,37.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Ook krijgt belanghebbende een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.108. Belanghebbende heeft daarnaast recht op een vergoeding van de reiskosten die zij heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting op basis van openbaar vervoer tweede klasse. De rechtbank zal daarom een reiskostenvergoeding van € 57,12 toekennen. De proceskostenvergoeding bedraagt dan in totaal € 3.165,12

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag verbruiksbelasting;
- handhaaft de naheffingsaanslag accijns;
- vermindert de in rekening gebrachte belastingrente voor zover deze samenhangt met de naheffingsaanslag verbruiksbelasting;
- vermindert de boetebeschikking tot € 989,37;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.178,57;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 321,43;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.165,12 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 371 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier, op 10 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 1, tweede lid, van de Wet op de accijns (WA).
2.Artikel 2e, tweede lid van de WA.
3.Artikel 2e, derde lid, van de WA in combinatie met artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit accijns.
4.Artikel 51, eerste lid, onderdeel h, van de WA.
5.Artikel 4, eerste lid, van de WA.
6.Artikel 51, eerste lid, onderdeel j, van de WA.
7.Artikel 1 van de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken (WVAD).
8.Artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de WVAD.
9.Artikel 17 van de WVAD.
10.Artikel 25 van de WVAD.
11.Artikel 17 van de WVAD zoals geldend tot 2024.
12.Artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
13.Artikel 67c, eerste lid, van de AWR.
14.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713.
15.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.