ECLI:NL:RBZWB:2025:8835

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/02/440366 / KG ZA 25-496(E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Van den Heuvel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 611a lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kort geding over schadevergoeding na schietincident en onrechtmatig handelen aandeelhouders

In deze kortgedingprocedure vorderen eiser 1 en eiser 2 B.V. schadevergoeding van gedaagde 1 B.V. en gedaagde 2 naar aanleiding van een ernstig verstoorde aandeelhoudersverhouding en een schietincident waarbij eiser 1 gewond raakte.

Eiser 1 is bestuurder en enig aandeelhouder van eiser 2 B.V., en samen met gedaagde 1 B.V. aandeelhouder van bedrijf B.V. De verhouding tussen eiser 1 en gedaagde 2 is ernstig verstoord, en onderhandelingen over beëindiging van samenwerking liepen spaak. Na eerdere kortgedingvonnis waarbij gedaagde 1 werd veroordeeld tot betaling aan bedrijf B.V., vorderen eisers nu betaling van meerdere bedragen, waaronder medische kosten en schadevergoeding voor letselschade en waardevermindering van de kermisattractie.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vorderingen tot betaling aan bedrijf B.V. worden afgewezen omdat bedrijf B.V. geen partij is en de afgeleide schade van aandeelhouders niet aannemelijk is gemaakt. Wel wordt vastgesteld dat gedaagde 2 onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiser 1 door het schietincident, en wordt gedaagde 2 veroordeeld tot betaling van € 97.649,66 aan eiser 1 voor medische kosten en een voorschot op letselschade.

De proceskosten worden aan gedaagden opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde 2 wordt veroordeeld tot betaling van medische kosten en voorschot letselschade aan eiser 1; overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/440366 / KG ZA 25-496
Vonnis in kort geding van 11 december 2025
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [plaats 1] ,
2.
[eiser 2] B.V.,
te [plaats 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. P. le Heux,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

te [plaats 2] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats 3] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
mr. M.A.A. van Tongeren.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 november 2025, met producties genummerd 1 tot en met 7,
- de conclusie van antwoord, met producties genummerd 1 tot en met 10,
- de akte wijziging van eis,
- producties van de zijde van [eisers] , genummerd 8 tot en met 28,
- de mondelinge behandeling van 27 november 2025,
- de pleitnota van [eisers]
- de pleitnota van [gedaagden]

2.De feiten

2.1.
De heer [eiser 1] (hierna: [eiser 1] ) is bestuurder en enig aandeelhouder van [eiser 2] BV (hierna: [eiser 2] ). De heer [gedaagde 2] (hierna: [gedaagde 2] ) is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 1] BV (hierna: [gedaagde 1] ).
2.2.
[gedaagde 1] en [eiser 2] zijn samen de aandeelhouders van [bedrijf] BV (hierna: [bedrijf] ).
2.3.
[bedrijf] houdt zich onder andere bezig met de exploitatie van de kermisattractie ‘ [kermisattractie] ’.
2.4.
De verhouding tussen [eiser 1] en [gedaagde 2] is ernstig verstoord. Partijen hebben onderhandeld over de beëindiging van de samenwerking, maar daarover geen overeenstemming bereikt.
2.5.
Bij dagvaarding van 14 juli 2025 heeft [gedaagde 1] [eisers] gedagvaard. [gedaagde 1] vorderde [eisers] te veroordelen om de Intentieverklaring te ondertekenen en aan haar te verstrekken en daarnaast zich in te spannen om te komen tot een definitieve koopovereenkomst inzake de kermisattractie [kermisattractie] met [naam] . [eisers] vorderde in reconventie onder andere om [gedaagde 1] te bevelen om € 26.583,00 te storten op de Rabobankrekening van [bedrijf] .
2.6.
Bij kortgedingvonnis van 6 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter de conventionele vorderingen afgewezen en de reconventionele vorderingen van [eisers] toegewezen, waaronder het bevel aan [gedaagde 1] tot het storten van een bedrag van € 26.583,00 op de Rabobankrekening van [bedrijf] .
2.7.
Op 8 augustus 2025 is het vonnis van 6 augustus 2025 betekend.
2.8.
Op 29 augustus 2025 hebben partijen in het bijzijn van hun advocaten onderhandeld over de verkoop van de kermisattractie [kermisattractie] .
2.9.
Op 1 september 2025 heeft opnieuw een onderhandeling tussen partijen plaatsgevonden, in het bijzijn van advocaten en de accountant van [gedaagde 2] . Na het gesprek heeft [gedaagde 2] op de [eiser 1] geschoten (hierna: het schietincident). [eiser 1] is daarbij door vier kogels geraakt (één keer in zijn been, twee keer in zijn buik en één in zijn arm). Hij lag een aantal dagen in coma, verloor 3,5 liter bloed, zijn darmen en alvleesklier zijn geraakt, er bevindt zich nog één kogel achter zijn nier en hij is geopereerd aan zijn hand. [gedaagde 2] is door de politie ter plekke aangehouden en zit nu vast in de PI in [plaats 3] .

3.De vordering

3.1.
[eisers] vordert (na eiswijziging) dat de voorzieningenrechter [gedaagden] hoofdelijk, tegen kwijting veroordeelt:
I. om binnen drie dagen na betekening van het kortgedingvonnis een bedrag van
€ 26.583,00 te storten op de Rabobankrekening, met [rekeningnummer] , van [bedrijf] B.V., op verbeurte van een dwangsom van € 5.000 per dag dat gedaagden hier niet aan voldoen, een gedeelte van de dag daaronder begrepen;
II. om binnen zeven dagen na betekening van het kortgedingvonnis, aan [eisers] , een bedrag van € 97.649,66 te betalen, of een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag;
III. om binnen zeven dagen na betekening van het kortgedingvonnis een bedrag van € 100.000,00, of een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te storten op de Rabobankrekening, met [rekeningnummer] , van [bedrijf] BV, op verbeurte van een dwangsom van € 5.000 per dag dat gedaagden hier niet aan voldoen, een gedeelte van de dag daaronder begrepen;
IV. in de kosten van het geding, de nakosten daaronder begrepen.
3.2.
[eisers] onderbouwt zijn vorderingen als volgt. Bij vonnis van 6 augustus 2025 is [gedaagde 1] bevolen om een bedrag van € 26.583,00 over te maken aan [bedrijf] , zijnde een voorschot op de schade die is geleden door gepleegde fraude. Omdat [gedaagde 2] in die zaak geen eiser was, is enkel [gedaagde 1] in reconventie bevolen tot betaling van het gevorderde geldbedrag. [gedaagde 1] heeft hieraan niet voldaan. [eisers] vordert in dit kort geding opnieuw [gedaagde 1] te bevelen € 26.583,00 over te maken aan [bedrijf] en eveneens [gedaagde 2] in privé te bevelen om dit geldbedrag aan [bedrijf] over te maken. [eisers] legt daaraan ten grondslag dat de voorzieningenrechter in het vonnis van 6 augustus 2025 reeds oordeelde dat [eisers] aannemelijk had gemaakt dat sprake was van fraude en dat een voorschot op de schade van € 26.583,00 toewijsbaar was. [eisers] stelt dat het evident is dat (naast [gedaagde 1] ) [gedaagde 2] persoonlijk ook verantwoordelijk is voor deze fraude. Nu betaald dient te worden aan een derde, namelijk de werkmaatschappij, de werkmaatschappij geen partij was (en is) én de vordering geen betaling van een geldsom betreft, maar een door de voorzieningenrechter bevolen ‘doen’ door [gedaagden] , wordt door [eisers] gevorderd om een dwangsom te verbinden aan deze vordering.
Het onder II. gevorderde bedrag van € 97.649,66 bestaat uit € 47.649,66 aan medische kosten en € 50.000.00 als voorschot op de vergoeding van de letselschade. [eisers] legt hieraan het schietincident (de onrechtmatige daad) ten grondslag. Na het schietincident is [eiser 1] opgenomen in het ziekenhuis, heeft een aantal dagen in coma gelegen en is hij geopereerd. De door het ziekenhuis in rekening gebrachte kosten bedragen in totaal € 47.649,66. [eiser 1] was ten tijde van het schietincident niet verzekerd, zodat deze kosten bij hem in rekening zijn gebracht. Daarbij komt dat hij, vanwege zijn letsel, de komende tijd niet zal kunnen werken en daardoor ook geen inkomen zal hebben. Doordat er een kogel zijn rechter arm/pols heeft geraakt kan hij zijn rechterhand amper gebruiken. [eiser 1] stelt dat hij van een fitte man van 39 jaar, vader en succesvol ondernemer is verworden tot een angstige, ongelukkige, gehandicapte man die bijna niets meer kan. Er is dan ook sprake van psychische schade.
Tot slot wordt een voorschot van € 100.000 aan schadevergoeding gevorderd te betalen door [gedaagden] aan [bedrijf] . [eisers] legt aan deze vordering ten grondslag dat vanwege het schietincident de waarde van de kermisattractie ‘ [kermisattractie] ’ is gedaald. Daarbij is er sprake van reputatieschade en zullen [gedaagde 2] en [eiser 1] geen inkomsten meer genereren voor hun bedrijf. [eiser 1] zal namelijk jarenlang moeten revalideren en [gedaagde 2] zit in detentie. [eisers] vordert om aan deze vordering eveneens een dwangsom te verbinden.
3.3.
[gedaagden] voert verweer en betwist dat sprake is van een spoedeisend belang en betwist de aangevoerde grondslagen voor, en hoogte van, de door [eisers] gestelde schade.
[gedaagden] stelt – kort samengevat – met betrekking tot het schietincident (vordering II) dat [eisers] de gestelde onrechtmatige daad niet heeft onderbouwd en dat, gelet op het feit dat het strafrechtelijk onderzoek nog loopt, de aansprakelijkheid van [gedaagden] voor de gestelde schade niet vaststaat. De beweerde letselschade wordt betwist en kan in een kort geding niet worden vastgesteld, omdat daarvoor uitgebreide bewijsvoering nodig is.
Ten aanzien van de nieuwe vordering van [gedaagden] (vordering III) voert [gedaagden] aan dat een eventuele waardevermindering van de kermisattractie én dat deze waardevermindering het gevolg zou zijn van het schietincident is, op geen enkele manier is aangetoond. Daarnaast wijst [gedaagden] er op dat dit afgeleide schade betreft die alleen de vennootschap zelf kan vorderen.
De gevorderde dwangsommen (vordering I en III) dienen eveneens afgewezen te worden, omdat het verbinden van een dwangsom aan een betaling tot een geldbedrag op grond van artikel 611a lid 1 Rv onmogelijk is. [gedaagden] concludeert dan ook tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eisers] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.2.
[eisers] vordert betaling van drie schadebedragen door [gedaagden]
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de rechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
Betaling € 26.583,00 en € 100.000,00
4.3.
Bij kortgedingvonnis van 6 augustus 2025 is [gedaagde 1] bevolen tot betaling van € 26.583,00 aan [bedrijf] . [eisers] vordert dit nu opnieuw, tevens ten aanzien van [gedaagde 2] in privé. Uitgangspunt is dat dat aan een kortgedingvonnis geen gezag van gewijsde toekomt. Een vonnis in kort geding bevat namelijk slechts voorlopige oordelen en beslissingen waaraan partijen niet in een bodemprocedure en evenmin in een later kort geding gebonden zijn [1] . Dit betekent dat de voorzieningenrechter de vordering onder I., ondanks dat deze reeds bij kortgedingvonnis van 6 augustus 2025 ten aanzien van [gedaagde 1] is toegewezen, opnieuw zal beoordelen. De voorzieningenrechter zal de vordering onder I. samen met de vordering onder III. beoordelen.
Schade [bedrijf]
4.4.
Beide vorderingen betreffen vorderingen die [eisers] instelt in verband met gestelde geleden schade door [bedrijf] . Zijn vorderingsrecht voor deze schade laat [eisers] óf in het midden, óf baseert hij op de schade die hij lijdt in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van [bedrijf] . De schade die [bedrijf] lijdt als gevolg van enig onrechtmatig handelen van [gedaagden] betreft schade in het vermogen van [bedrijf] (en niet in dat van [eiser 1] of [eiser 2] ). [bedrijf] is echter geen partij in deze procedure. De schadevordering wordt dan ook niet door haar ingesteld.
Afgeleide schade aandeelhouder
De schade die [eisers] stelt als (aandeelhouder als) gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde 2] jegens [bedrijf] te hebben geleden, betreft zogenoemde afgeleide schade. Bij afgeleide schade gaat het om de situatie dat een derde ( [gedaagde 2] ) aan een vennootschap ( [bedrijf] ) vermogensschade toebrengt door zich ten opzichte van de vennootschap onrechtmatig te gedragen of toerekenbaar tekort te schieten, waardoor de aandeelhouder van die vennootschap ( [eiser 2] ) schade lijdt omdat, bijvoorbeeld, zijn aandelen minder waard zijn geworden. In een dergelijk geval geldt als regel dat alleen de vennootschap zelf schadevergoeding kan vorderen en dat de aandeelhouder in principe geen recht heeft op vergoeding van zijn afgeleide schade.
Op deze regel kan een uitzondering worden gemaakt als sprake is van een gedraging die ‘specifiek onzorgvuldig’ is tegenover de aandeelhouder. [2] Het enkele feit dat een aandeelhouder nadeel heeft ondervonden doordat een derde ten opzichte van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld of wanprestatie heeft gepleegd, betekent dus niet dat die derde automatisch tegenover de aandeelhouder onrechtmatig heeft gehandeld. Hiervoor moeten bijzondere omstandigheden worden gesteld waaruit blijkt dat tegenover de aandeelhouder een zorgvuldigheidsnorm is geschonden. Dit toetsingskader geldt ook als de hiervoor genoemde derde die de onrechtmatige daad of tekortkoming pleegt, bestuurder is van de vennootschap. In dat geval geldt dat de enkele omstandigheid dat een voorzienbaar gevolg van de handelwijze van de bestuurder is dat niet alleen de vennootschap maar ook de aandeelhouder wordt benadeeld, niet meebrengt dat de bestuurder een specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden tegenover de aandeelhouder. Daarvoor moeten bijkomende omstandigheden worden gesteld, zoals de opzet om die aandeelhouder aldus te benadelen. [3]
4.5.
Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde 2] met zijn handelen de opzet had om [eiser 2] , als aandeelhouder van [bedrijf] , te benadelen. Het had op de weg van [eisers] gelegen om dit te stellen en te onderbouwen. Nu het bestaan van afgeleide schade niet aannemelijk is gemaakt, dienen de vorderingen van [eisers] tot het betalen van geldbedragen aan [bedrijf] zoals gevorderd onder I. en III. te worden afgewezen.
Betaling van € 97.649,66
4.6.
[eisers] vordert betaling door [gedaagden] van een bedrag van € 97.649,66. Het gevorderde bedrag bestaat uit € 47.649,66 aan medische kosten plus
€ 50.000.00 aan schadevergoeding. [eisers] stelt deze schade te hebben geleden als gevolg van het schietincident.
Onrechtmatige daad
4.7.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde 2] door het afvuren van kogels op [eiser 1] , die [eiser 1] op diverse plekken in zijn lichaam hebben geraakt, met ernstig letsel tot gevolg, een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens [eiser 1] . Dat er nog geen strafrechtelijke veroordeling is, maakt dat niet anders. In deze civiele zaak dient een handeling juridisch te worden gekwalificeerd op basis van de ingenomen stellingen die al dan niet worden betwist. [gedaagde 2] c.s heeft de door [eiser 1] gestelde handelingen niet betwist. Aan het beroep op ‘eigen schuld’ van [gedaagden] , in die zin dat [gedaagde 2] heeft gesteld dat hij dacht dat [eiser 1] ook bewapend was en [eiser 1] op hem zou gaan schieten, gaat de voorzieningenrechter voorbij. [eisers] heeft dit betwist en [gedaagde 2] heeft deze stelling op geen enkele wijze feitelijk onderbouwd.
Medische kosten € 47.649,66
4.8.
Ten aanzien van de gevorderde schade bestaande uit de medische kosten overweegt de voorzieningenrechter als volgt. [eiser 1] heeft de (hoogte van deze) schade onderbouwd met de overlegging van facturen van de twee ziekenhuizen waar hij is behandeld. Hij stelt niet de financiële middelen te hebben om deze facturen te betalen. [eiser 1] was ten tijde van het schietincident woonachtig in België en had geen zorgverzekering. [gedaagden] stelt zich op het standpunt dat het niet verzekerd zijn voor ziektekosten een eigen keuze is van [eiser 1] en de facturen door hemzelf betaald moeten worden zijn eigen schuld is, zodat [gedaagden] deze schade niet hoeft te vergoeden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser 1] de kosten die zijn gemaakt goed heeft onderbouwd door middel van de door de overgelegde facturen en daarbij staat het causaal verband tussen het schietincident en de gemaakte medische kosten vast. Het feit dat [eiser 1] , ondanks de op hem rustende verplichting om zich voor ziektekosten te verzekeren, ten tijde van het schietincident niet over een ziektekostenverzekering beschikte, ontslaat [gedaagde 2] niet van zijn verplichting om deze schade te vergoeden. Voor zover door [gedaagden] een beroep wordt gedaan op de schadebeperkingsplicht van artikel 6:101 BW Pro heeft te gelden dat [eiser 1] onbetwist heeft gesteld dat hij, naar aanleiding van zijn medische behandeling, terug is verhuisd naar Nederland en alsnog een ziektekostenverzekering heeft afgesloten. Voor toekomstige medische kosten die gemaakt zullen worden als gevolg van het schietincident, zoals nog uit te voeren operaties en revalidatie, is [eiser 1] nu dus wel verzekerd. Hij heeft daarmee voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht. Op [eiser 1] rustte immers geen verplichting zijn schade te beperken voorafgaand aan het schietincident. Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter [gedaagde 2] zal veroordelen tot betaling aan [eiser 1] van € 47.649,66 aan medische kosten. Voor een veroordeling van [gedaagde 1] of betaling aan [eiser 2] is geen grondslag aangevoerd noch feiten waaruit een grondslag kan worden afgeleid.
€ 50.000,00 schadevergoeding
4.9.
Ten aanzien van de gevorderde € 50.000,00 aan schadevergoeding overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De voorzieningenrechter begrijpt dat deze vordering (mede) ziet op de letselschade, het verlies van arbeidsvermogen en psychische schade die [eiser 1] , als gevolg van het schietincident, lijdt. Uit de overgelegde medische rapportages blijkt dat [eiser 1] is behandeld op de intensive care, er een operatie is uitgevoerd ter herstel van een zenuw in zijn hand en er een buikoperatie is uitgevoerd. Zijn darm en alvleesklier zijn geraakt door de kogels en er bevindt zich nog een kogel achter zijn nier. Daarnaast zijn er fysiotherapie behandelingen gegeven voor een aantal aandoeningen. Het staat dan ook vast dat sprake is van zwaar letsel, er nog één of meerdere operaties moeten plaatsvinden en [eiser 1] gedurende langere tijd zal moeten revalideren. Het vaststellen van de precieze letselschade en het zeer waarschijnlijke verlies van arbeidsinkomen zal in een bodemprocedure vastgesteld moeten worden, hetgeen de nodige tijd zal kosten. Nu zowel [eiser 1] in privé als zijn bedrijf financieel in zwaar weer verkeren en langdurig niet kan werken, acht de voorzieningenrechter betaling van een voorschot op deze schade op zijn plaats. Gelet op de ernst van het letsel en het waarschijnlijke verlies aan arbeidsinkomen acht de voorzieningenrechter betaling van een voorschot op immateriële schade van € 25.000,00 en betaling van voorschot verlies van arbeidsinkomen van € 25.000,00 aan [eiser 1] toewijsbaar. Deze vorderingen zullen enkel jegens [gedaagde 2] in privé worden toegewezen. Ook hierbij geldt dat voor een veroordeling van [gedaagde 1] of betaling aan [eiser 2] geen grondslag is aangevoerd noch feiten waaruit een grondslag kan worden afgeleid.
Proceskosten
4.10.
[gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
293,48
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.439,48

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde 2] om binnen zeven dagen na betekening van het kortgedingvonnis aan [eiser 1] een bedrag van € 97.649,66 te betalen,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 8.439,480, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025.

Voetnoten

1.HR 16 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1583 (Kloes/Fransman)
2.Hoge Raad 2 december 1994, ECLI:NL:HR:ZC1564 (Poot/ABP) en Hoge Raad 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1899, r.o. 3.4.1 en 3.4.2
3.Hoge Raad 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0419 (Tuin Beheer/Houthoff)