ECLI:NL:RBZWB:2025:8479

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
23/11264
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over de herziening van een intrekkingsbesluit van de Sociale Verzekeringsbank en de vaststelling van een maandelijkse aflossingsverplichting

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 2 december 2025, wordt het beroep van eiser tegen besluiten van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) behandeld. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het maandelijkse aflossingsbedrag van € 292,50 dat de Svb heeft vastgesteld voor de aflossing van een schuld van € 16.687,66, ontstaan door de intrekking van zijn AOW-uitkering. De Svb had eerder, op 1 juni 2011, de AOW-uitkering van eiser ingetrokken vanwege detentie, en eiser verzoekt nu om herziening van dit besluit op basis van nieuwe feiten en omstandigheden. De rechtbank beoordeelt of de Svb terecht heeft besloten om het herzieningsverzoek af te wijzen en of het vastgestelde aflossingsbedrag redelijk is. De rechtbank concludeert dat er geen nieuwe feiten zijn die aanleiding geven tot herziening van het intrekkingsbesluit en dat de Svb de aflossingscapaciteit van eiser correct heeft berekend. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard, en er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/11264 AOW

uitspraak van 2 december 2025 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

gemachtigde: [gemachtigde],
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb

gemachtigde: mr. J.G. Starreveld.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep tegen besluiten van de Svb over de hoogte van het maandelijkse termijnbedrag waarmee eiser een schuld aan de Svb moet aflossen, en over de afwijzing van zijn verzoek om een besluit van de Svb over de intrekking zijn uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) te herzien.
1.1.
De Svb heeft in een besluit van 22 juni 2022 (primair besluit I) bepaald dat eiser zijn schuld aan de Svb met ingang van de maand juli 2023 moet aflossen met een maandelijks termijnbedrag van € 292,50. In een besluit van 31 oktober 2023 (bestreden besluit I) heeft de Svb eisers bezwaren tegen primair besluit I ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De Svb heeft in een besluit van 30 oktober 2023 (primair besluit II) eisers verzoek om het herzien van het besluit van 1 juni 2011 over de intrekking van zijn AOW-uitkering afgewezen, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In een besluit van 18 juni 2025 (bestreden besluit II) heeft de Svb eisers bezwaren tegen primair besluit II ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De Svb werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek na overleg met beide partijen geschorst, in afwachting van de besluitvorming van de Svb over eisers bezwaren tegen primair besluit II.
1.4.
Nadat de Svb bestreden besluit II heeft overgelegd heeft eiser beroepsgronden tegen dit besluit aangevoerd, waarna de Svb een aanvullend verweerschrift heeft ingediend. Partijen hebben vervolgens (impliciet) toestemming gegeven om de zaak zonder nadere zitting af te doen. De rechtbank heeft het onderzoek in deze zaak gesloten op 25 november 2025.

Overwegingen

Relevante feiten en omstandigheden
2. De Svb heeft met ingang van januari 2009 een ouderdomspensioen aan eiser toegekend op grond van de AOW. Eiser is op 26 mei 2009 aangehouden in verband met brandstichting en was (in ieder geval) vanaf 30 juni 2009 gedetineerd. De Svb heeft pas kennisgenomen van deze omstandigheid in maart 2011.
De Svb heeft in een besluit van 1 juni 2011 eisers pensioen op grond van de AOW met ingang van 1 januari 2010 ingetrokken. De Svb heeft eisers bezwaren tegen dit besluit ongegrond verklaard in een besluit van 13 oktober 2011. De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft eisers beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard in een uitspraak van 15 maart 2012. Eisers hoger beroep tegen deze uitspraak is ongegrond verklaard door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in een uitspraak van 17 januari 2014.
De Svb heeft in primair besluit I bepaald dat eiser de door genoemde intrekking ontstane schuld van € 16.687,66 aan de Svb met ingang van de maand juli 2023 kan aflossen met een maandelijks termijnbedrag van € 292,50. In bestreden besluit I heeft de Svb eisers bezwaren tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. De Svb heeft eisers aflossingscapaciteit berekend door eisers netto inkomen te verminderen met de beslagvrije voet, en de uitkomst hiervan te bruteren.
Eiser heeft (in zijn bezwaarschrift dat was gericht tegen primair besluit I) de Svb verzocht om het besluit van 1 juni 2011 over de intrekking van zijn AOW-pensioen te herzien. De Svb heeft dit verzoek afgewezen in primair besluit II. Hangende deze beroepsprocedure heeft de Svb in bestreden besluit II eisers bezwaren tegen primair besluit II ongegrond verklaard.

Overwegingen

Waar gaat het in deze zaak (niet) over?
3. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de Svb had moeten terugkomen op het intrekkingsbesluit van 1 juni 2011 wegens de aanwezigheid van nieuwe feiten en omstandigheden. Verder ligt de vraag voor of de Svb eisers maandelijkse aflossingsbedrag met ingang van de maand juli 2023 mocht vaststellen op € 292,50. Wat eiser hierover aanvoert wordt – voor zover relevant – in het hiernavolgende besproken.
Beoordeling van de besluitvorming over eisers herzieningsverzoek
4. De Svb heeft op eisers herzieningsverzoek beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden moet worden beoordeeld of de Svb zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandighe-den worden verstaan feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Daarnaast moet de rechtbank beoordelen of het bestreden besluit evident onredelijk is. De rechtbank wijst hierbij naar de vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1927).
5. Eiser stelt – kort samengevat – dat de inhouding van zijn AOW over de periode waarin hij in detentie zat onrechtmatig was. Met wat hij daartoe heeft aangevoerd brengt hij echter geen feiten of omstandigheden naar voren die na het besluit van 1 juni 2011 zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór dit besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Eiser heeft ook geen nieuwe relevante bewijsstukken overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank stelt het college daarom terecht dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Wat eiser aanvoert komt bovendien op sommige punten overeen met wat hij eerder in de procedures over het intrekkingsbesluit van 1 juni 2011 heeft aangevoerd. De Svb heeft de desbetreffende argumenten destijds gemotiveerd weerlegd, en de rechtbank ’s-Hertogen-bosch en de CRvB hebben hier ook reeds een oordeel over gegeven in de uitspraken van 15 maart 2012 en 17 januari 2014. Naar het oordeel van de rechtbank was het college dan ook bevoegd om eisers herzieningsverzoek af te wijzen met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
Beoordeling van de besluitvorming over het maandelijkse aflossingsbedrag
6. Artikel 4 van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen (de Regeling) is van toepassing als de vordering van de Svb het gevolg is van schending van de inlichtingenplicht. Artikel 3 is van toepassing in andere gevallen. Overeenkomstig het tweede lid van beide artikelen worden periodieke betalingen of verrekeningen door de Svb zodanig vastgesteld dat gebruik wordt gemaakt van de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar. In de beleidsregel 'Termijnen van verrekening en uitstel van betaling (SB1251)' is vastgelegd dat de Svb in plaats van artikel 4, artikel 3 van de Regeling toepast.
7. De rechtbank stelt voorop dat de CRvB in een uitspraak van 16 januari 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:216) heeft geoordeeld dat de artikelen 3 en 4, tweede lid, van de Regeling aan besluiten tot vaststelling van de aflossingscapaciteit van AOW-gerechtigden ten grondslag kunnen worden gelegd. Blijkens de toelichting bij primair besluit I heeft de Svb bij de berekening van de beslagvrije voet zoals neergelegd in artikel 475b, 475c en 475da tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering 95% van de geldende bijstandsnorm gehanteerd. De Svb heeft de beslagvrije voet vervolgens in mindering gebracht op eisers beschikbare (netto) inkomen van € 1.415,-. Conform genoemde bepalingen in de Regeling heeft de Svb eisers maandelijkse aflossingsbedrag met ingang van de maand juli 2023 vervolgens vastgesteld op zijn volledige aflossingscapaciteit. Aangezien eiser de hoogte van de bedragen die zijn gebruikt in de berekening van de Svb als zodanig ook niet (gemotiveerd) heeft betwist, acht de rechtbank het vastgestelde maandelijkse aflossingsbedrag van € 292,50 in beginsel niet onrechtmatig.
8. Ingevolge artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 3, zevende lid, van de Regeling kan de Svb van artikel 3 en 4 van de Regeling afwijken als toepassing van die artikelen tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt. Uit de toelichting bij de Regeling blijkt dat daarbij kan worden gedacht aan een situatie waarin tijdelijk prioriteit wordt gegeven aan betalingsregelingen met derden om een dreigende afsluiting van energielevering of ontruiming van de woning te voorkomen. Dit is ook neergelegd in beleidsregel SB1251:
"De SVB maakt van deze bevoegdheid gebruik als een invordering van de SVB een bestaande betalingsregeling zou doorkruisen. Dit geldt alleen voor een betalingsachterstand van: energie- en waterrekeningen; huur of hypotheek; zorgpremie."In deze zaak is gesteld noch gebleken dat sprake is van feiten en omstandigheden zoals genoemd in deze beleidsregel, of andere feiten die zouden kunnen nopen tot het aannemen van een kennelijk onredelijk resultaat als gevolg van toepassing van een maandelijkse aflossingsbedrag van € 292,50. Eisers enkele stelling dat hij de afgelopen 15 jaar een schuldenlast heeft opgebouwd is hiervoor in ieder geval onvoldoende, reeds nu deze niet nader is onderbouwd.
9. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat bestreden besluit I onzorgvuldig is voorbereid, omdat dit besluit zou zijn genomen door een lid van de 'klacht-/bezwaarcommissie' van de Svb, en deze commissie niet onafhankelijk is. Anders dan eiser kennelijk meent, was de Svb niet gehouden om in de bezwaarfase een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb in te schakelen. De Svb heeft, zoals ter zitting bevestigd, in dit geval geen adviescommissie ingesteld. Van schending van (formele) voorschriften die hierop zien, kan dan ook geen sprake zijn.
10. Eisers stelling dat de Svb in een eerder stadium coulance heeft verleend en een lager aflossingsbedrag heeft vastgesteld slaagt niet, nu de Svb niet is gehouden om coulance te verlenen of deze voor onbepaalde tijd voort te zetten als deze eenmaal is verleend. Indien en voor zover hetgeen eiser hierover aanvoert moet worden opgevat als een beroep op het vertrouwensbeginsel, overweegt de rechtbank dat voor een geslaagd beroep hierop volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1321) is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat door een bestuursorgaan toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Daarvan is in dit geval geen sprake.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 2 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.