ECLI:NL:RBZWB:2025:8334

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
23/3708 WMO15
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van administratieve verlenging van huishoudelijke ondersteuning onder de Wmo

Op 26 november 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen eiseres, een inwoner van Breda, en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda. Eiseres had beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar tegen een besluit van 19 juli 2022 over de verlenging van haar huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). De rechtbank had eerder op 24 april 2023 het beroep van eiseres niet-ontvankelijk verklaard omdat de beslistermijn nog niet was overschreden. Eiseres heeft vervolgens op 13 juli 2023 opnieuw beroep ingesteld, maar het college had al op 21 maart 2023 op haar bezwaar beslist.

Tijdens de zitting op 22 oktober 2025 was eiseres aanwezig, maar de gemachtigde van het college was niet verschenen. De rechtbank oordeelde dat het college het bezwaar van eiseres tegen de administratieve verlenging van de huishoudelijke ondersteuning niet-ontvankelijk had verklaard, terwijl dit niet juist was. De rechtbank stelde vast dat eiseres procesbelang had, omdat zij zelf huishoudelijke hulp had ingekocht en schade had geleden door het niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigde dit besluit, waarbij het college werd opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat er sprake was van overschrijding van de redelijke termijn in de procedure, wat resulteerde in een schadevergoeding van € 500,- voor eiseres. De rechtbank bepaalde dat het college het griffierecht aan eiseres moest vergoeden. De uitspraak werd openbaar gemaakt op 26 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/3708 WMO15

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda(het college), verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

de staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat).

Procesverloop

1.1
Op 23 november 2022 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar tegen het besluit van 19 juli 2022 over verlenging van de huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).
De rechtbank heeft dat beroep op 24 april 2023 niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres het college in gebreke heeft gesteld terwijl de beslistermijn nog niet overschreden was (zaaknummer 22/5474 [1] ).
1.2
Eiseres heeft op 13 juli 2023 nogmaals beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar tegen het besluit van 19 juli 2022.
Hangende dit beroep is gebleken dat het college al op 21 maart 2023 op dat bezwaar heeft beslist.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 22 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiseres deelgenomen. De gemachtigde van het college is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
2.1
Eiseres had huishoudelijke ondersteuning tot en met 24 april 2022. Deze indicatie heeft het college met een besluit van 21 april 2022 administratief verlengd tot en met 31 juli 2022.
2.2.
Op 12 juli 2022 heeft het college bij eiseres een huisbezoek afgelegd.
2.3
Met een tweetal besluiten van 19 juli 2022 heeft het college de indicaties begeleiding respectievelijk huishoudelijke ondersteuning administratief verlengd van 1 augustus 2022 tot en met 31 oktober 2022.
Eiseres heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.
2.4
Met het besluit op bezwaar van 10 oktober 2022 heeft het college het bezwaar tegen de administratieve verlenging van de indicatie begeleiding niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep op 4 mei 2023 ongegrond verklaard (zaaknummer 22/5038 [2] ).
2.5
Met het bestreden besluit van 21 maart 2023 heeft het college het besluit op bezwaar van 10 oktober 2022 herroepen en de bezwaren van eiseres tegen de administratieve verlenging van de begeleiding én de huishoudelijke ondersteuning niet-ontvankelijk verklaard. Het college stelt dat verlenging met eiseres is afgesproken tijdens het huisbezoek op 12 juli 2022 en dat de huishoudelijke ondersteuning en begeleiding ook daadwerkelijk verlengd zijn. Volgens het college heeft eiseres geen procesbelang.
2.6
Met het besluit van 28 augustus 2023 heeft het college aan eiseres over de periode van 28 augustus 2023 tot en met 31 augustus 2028 weer huishoudelijke ondersteuning toegekend voor 3 uur en 15 minuten per week (daarover loopt op dit moment een (inhoudelijke) beroepsprocedure met zaaknummer 24/1658).
Beroep
3.1
Eiseres stelt dat tijdens het huisbezoek is afgesproken dat huishoudelijke ondersteuning voor een aantal jaren zou worden afgegeven, gelet op haar blijvende beperkingen. Volgens eiseres is er overigens geen besluit met een indicatie huishoudelijke hulp met einddatum 31 juli 2022, zodat er tijdens het huisbezoek verlenging daarvan ook niet kan zijn afgesproken.
3.2
Op vragen van de rechtbank heeft eiseres geantwoord dat haar procesbelang is gelegen in een dwangsom met wettelijke rente in verband met het niet tijdig beslissen op haar bezwaar en schadevergoedingen voor overschrijding van de redelijke termijn, het griffierecht in de zaak met nummer 22/5474 en de kosten voor ingekochte huishoudelijke hulp. Eiseres heeft daarvan facturen overgelegd van [huishoudelijke hulp] over de maanden november en december 2022 en over januari tot en met mei 2023.
Verweer
4. Het college heeft in reactie op de beroepsgronden en vragen van de rechtbank onder meer gesteld dat met het besluit van 21 april 2022 hulp bij het huishouden administratief is verlengd over de periode van 25 april 2022 tot en met 31 juli 2022. Na
31 oktober 2022 is er geen huishoudelijke ondersteuning meer verleend; pas met ingang van
28 augustus 2023 weer. Volgens het college heeft eiseres geen procesbelang omdat niet met terugwerkende kracht huishoudelijke ondersteuning kan worden verleend.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
Niet tijdig beslissen
6.1
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen het besluit van 19 juli 2022 over de verlenging van de huishoudelijke ondersteuning.
6.2
De rechtbank stelt vast dat op het moment dat eiseres dit beroep instelde, het college met het besluit van 21 maart 2023 al had beslist op haar bezwaar. Er is daarom geen dwangsom (met wettelijke rente) verbeurd. Dat eiseres het besluit op bezwaar van 21 maart 2023 pas later heeft ontvangen c.q. pas later bekend werd met dat besluit, maakt dat niet anders. Eiseres heeft als gevolg daarvan geen procesbelang bij de beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar en dat beroep is dan ook niet-ontvankelijk.
Procesbelang ten aanzien van het bestreden besluit
6.3
Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht – al dan niet analoog toegepast (aangezien er al een besluit was genomen vóór indiening van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit) – heeft het beroep van eiseres mede betrekking op het bestreden besluit van 21 maart 2023. De vraag die in dat kader beantwoord moet worden, is of het college met het bestreden besluit op goede gronden het bezwaar van eiseres tegen de administratieve verlenging van de huishoudelijke ondersteuning over de periode van 1 augustus 2022 tot en met 31 oktober 2022 niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Omdat het gaat om een afgesloten periode in het verleden dient allereerst te worden beoordeeld of eiseres nog een belang heeft bij beoordeling van die periode.
6.4
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden. [3]
6.5
De rechtbank stelt vast dat eiseres tot en met 31 oktober 2022 van het college huishoudelijke ondersteuning heeft gekregen. Nadien had zij daarvoor geen indicatie, pas met ingang van 28 augustus weer. In de tussentijd heeft eiseres blijkens de door haar overgelegde facturen zelf huishoudelijke hulp ingekocht. Behalve dat een inhoudelijk oordeel in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank relevant is voor een toekomstige periode, met ingang van 1 november 2022, heeft zij vanaf die datum zelf de hulp betaald en is daarmee niet onaannemelijk dat zij schade heeft geleden.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres een voldoende belang heeft bij beoordeling van het bestreden besluit.
Beoordeling bestreden besluit
6.6
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het college heeft eiseres geen belang bij beoordeling van haar bezwaar omdat een beslissing op dat bezwaar feitelijk geen effect kan hebben nu de huishoudelijke ondersteuning is verlengd.
6.7
Alhoewel een concrete melding voorafgaande aan de administratieve verlenging in het dossier ontbreekt, gaat de rechtbank ervan uit dat die er wel is geweest. De rechtbank leidt dat af uit de gang van zaken, zoals het huisbezoek op 12 juli 2022 waarin de huishoudelijke ondersteuning na afloop van de (verlengde) indicatie aan de orde is geweest. Het college wilde daarnaar onderzoek gaan doen, maar kennelijk kon dat pas na afloop van de indicatie en heeft het college in de tussentijd vanuit praktisch oogpunt gekozen voor een administratieve verlenging. Hoewel voorstelbaar is dat er in de praktijk behoefte kan bestaan aan administratieve verlengingen van indicaties – en dat vaak ook in het voordeel is van de cliënt – is dat, gelet op het systeem van de wet, strikt genomen echter niet mogelijk. Artikel 2.3.5, eerste lid, Wmo bepaalt namelijk dat het college beslist op een aanvraag. Daaraan voorafgaand dient een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 plaats te vinden. In een geval als het onderhavige, waarin de cliënt bezwaar maakt tegen de administratieve verlenging, kan dat dan ook niet worden afgedaan met een niet-ontvankelijk verklaring enkel vanwege het feit dat er een verlenging heeft plaatsgevonden. In dit geval dient de bezwaarfase benut te worden om het gebrek in de besluitvorming te herstellen door alsnog te onderzoeken of eiseres ook na 1 november 2022 recht had op een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning. De rechtbank verklaart het beroep tegen het bestreden besluit daarom gegrond.
Overschrijding redelijke termijn
6.8
In procedures als deze mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, indien de fase van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar heeft geduurd. Er kunnen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan een andere termijn dan twee jaar geldt. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.
6.9
In dit geval is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De bezwaar- en beroepsprocedure hebben tezamen meer dan twee jaar geduurd. Eiseres heeft daarom recht op een vergoeding.
Uitgaande van de indiening van het bezwaarschrift op 30 augustus 2022 en het bestreden besluit van 21 maart 2023 heeft het college de bezwaarprocedure met iets minder dan
één maand overschreden. Dit betekent dat € 500,- voor rekening van het college komt.
Uitgaande van het beroep dat eiseres op 13 juli 2023 heeft ingediend en deze uitspraak heeft de rechtbank de termijn voor beroep met circa 10 maanden overschreden. Hierbij dient echter rekening te worden gehouden met het feit dat de zitting in eerste instantie was gepland op 14 januari 2025 maar op verzoek van partijen in verband met mediation is aangehouden, uiteindelijk voor 7 maanden. De rechtbank stelt daarom de vergoeding voor overschrijding van de redelijk termijn in beroep vast op € 500,-. De Staat zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag.

Conclusie en gevolgen

7.1
Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een besluit op het bezwaar is niet-ontvankelijk. Het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om zelf een beslissing te nemen.
7.2.
De rechtbank bepaalt daarom dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor 6 weken.
7.3
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het uitblijven van een besluit op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 19 juli 2022 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 21 maart 2023 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 21 maart 2023;
- draagt het college op om binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw (inhoudelijk) besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt het college tot het betalen van € 500,- aan immateriële schadevergoeding aan eiseres;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van € 500,- aan immateriële schadevergoeding aan eiseres;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 50,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 26 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:2
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Artikel 6:12
1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden.
2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
Artikel 6:20
1. Indien het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, blijft het bestuursorgaan verplicht dit besluit te nemen, tenzij de belanghebbende daarbij als gevolg van de beslissing op het beroep geen belang meer heeft.
2. Het bestuursorgaan stelt een besluit als bedoeld in het eerste lid onverwijld ter beschikking aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.
3. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.
4. De beslissing op het beroep kan echter worden verwezen naar een ander orgaan waarbij bezwaar of beroep tegen het alsnog genomen besluit aanhangig is, dan wel kan of kon worden gemaakt of ingesteld.
5. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.
Artikel 7:12
2. De beslissing wordt bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht. (…)

Voetnoten

3.bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 13 augustus 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1206)