Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 9 juni 2025 ter griffie van deze rechtbank;
- de beslaglijst met daarop het beslag dat op grond van artikelen 94 en 94a Sv onder klager in beslag is genomen (zie bijlage);
- de reactie van de officier van justitie en
- de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
- [adres 1] met bijbehorende gronden (in de beslaglijst opgenomen als volgnummers 6 tot en met 10);
- [woonadres] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummers 11 en 12);
- [adres 2] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 16).
Verzocht wordt het beslag op de overige (onroerende) goederen op te heffen. Naar de mening van klager geven de beslagen onroerende goederen waartegen het klaagschrift zich niet richt voldoende zekerheid om een eventuele geldboete of ontnemingsvordering te voldoen. De raadsman heeft in raadkamer toegevoegd dat in geval van een verbeurdverklaring van het onroerend goed aan de [adres 1] de ontnemingsvordering zal moeten worden gematigd. Ook in dat geval is het voortduren van het beslag op de overige goederen niet proportioneel.
- personenauto Ducati [kenteken 1] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 1);
2.De beoordeling
- [woonadres] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummers 11 en 12);
- [adres 2] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 16).
Zij zal daarom het beslag op deze onroerende goederen op zichzelf niet beoordelen. Uiteraard neemt de rechtbank het handhaven van dit beslag wel mee in haar beoordeling van de proportionaliteit van het overige beslag.
3.De beslissing
beroep in cassatieworden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).