ECLI:NL:RBZWB:2025:6881
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag bpm en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag bpm van €3.687 die was gebaseerd op een taxatie van een gebruikte Audi Q5. De rechtbank beoordeelde de juistheid van de aanslag aan de hand van taxatierapporten van zowel belanghebbende als de inspecteur en concludeerde dat de inspecteur de juiste waarden had gehanteerd. Belanghebbende stelde dat de schade aan de auto onvoldoende was meegenomen en dat er sprake was van een onjuiste waardevermindering, maar slaagde er niet in dit aannemelijk te maken.
De rechtbank oordeelde dat de waardevermindering vanwege schade terecht werd vastgesteld op 72% van het schadebedrag, conform de gebruikelijke norm, en dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd voor een hogere aftrek. Ook werd geoordeeld dat er geen reden was voor een extra waardevermindering wegens twijfel aan de kilometerstand, omdat daarvoor onvoldoende concrete aanwijzingen waren.
Daarnaast kende de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €2.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar voor de afhandeling van het bezwaar, waarbij de vergoeding werd verdeeld tussen de inspecteur en de Staat. Tevens werden proceskosten en griffierechten aan belanghebbende toegekend. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard, maar met toekenning van schade- en proceskostenvergoedingen.
Uitkomst: De naheffingsaanslag bpm is terecht opgelegd, het beroep wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding toegekend.