ECLI:NL:RBZWB:2025:5993
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Eiseres, werkzaam als schoonmaakster, ontving een Ziektewetuitkering na haar zwangerschapsverlof. Het UWV beëindigde deze uitkering per 10 maart 2024 op grond van een eerstejaars beoordeling, omdat eiseres naar oordeel van het UWV meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, wat neerkomt op minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank toetste het besluit aan de hand van medische rapporten van verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige. De medische beoordeling concludeerde dat eiseres beperkingen heeft door psychische en lichamelijke klachten, maar dat zij niet voldoet aan de uitzonderingscriteria voor geen benutbare mogelijkheden en dat zij ADL-zelfstandig is. De arbeidsdeskundige stelde dat de geselecteerde functies binnen haar beperkingen passen.
Eiseres voerde aan dat haar rugklachten en persoonlijke omstandigheden onvoldoende zijn meegewogen en dat zij niet in staat is de functies uit te oefenen. De rechtbank oordeelde echter dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen niet zijn onderschat. De subjectieve klachtenbeleving is niet doorslaggevend. De berekende mate van arbeidsongeschiktheid is minder dan 35%, waardoor het UWV de uitkering terecht heeft beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wijzend op het dwingendrechtelijke karakter van de Ziektewet en het ontbreken van ruimte voor belangenafweging. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de beëindiging van haar Ziektewetuitkering wordt ongegrond verklaard.