Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- het bericht van 10 juni 2025 met producties van [gedaagde] ;
- het proces-verbaal van de plaatsopneming en bezichtiging van 23 juni 2025;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak gaat het om een burengeschil over een erfdienstbaarheid gevestigd in 1974, waarbij de eigenaar van het dienende erf vordert dat de erfdienstbaarheid wordt opgeheven. De rechtbank stelt vast dat op grond van de overgangswet artikel 5:78 BW Pro niet van toepassing is, omdat de erfdienstbaarheid voor 1992 is gevestigd.
De eigenaar van het heersende erf heeft een redelijk belang bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid, omdat zonder deze het een aanzienlijke omweg van zes minuten moet maken om van de voorkant naar de achterkant van haar woning te komen. Ook is het gebruik van de garage voor parkeren van de auto zodanig dat er geen redelijk alternatief is voor het voetpad. Daarnaast is aangetoond dat de woning zonder de erfdienstbaarheid € 25.000 minder waard is.
De rechtbank oordeelt dat het beroep op misbruik van bevoegdheid faalt, aangezien de erfdienstbaarheid bij aankoop bekend was en enige privacyschending inherent is aan een erfdienstbaarheid. De vordering tot opheffing wordt daarom afgewezen en de eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Vordering tot opheffing erfdienstbaarheid afgewezen wegens redelijk belang van gerechtigde; eiser veroordeeld in proceskosten.