Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd wegens het zodanig parkeren van een voertuig dat gevaar en hinder voor het verkeer op een locatie op 12 oktober 2022 ontstond. Betrokkene voerde aan de weg niet geblokkeerd te hebben en verwees naar een conflict met een lokale boer die alternatieve routes had. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond.
De kantonrechter oordeelde op 3 juli 2025 dat uit de verklaring van de verbalisant en foto’s voldoende blijkt dat de gedraging is verricht. Betrokkene bracht geen feiten aan die twijfel aan deze vaststelling rechtvaardigen. De rechtbank benadrukte dat het aan de gemeente is om verkeerssituaties adequaat te regelen.
Verder werd vastgesteld dat de hoorplicht door de officier van justitie was geschonden, omdat betrokkene niet in de gelegenheid was gesteld gehoord te worden. Ook was de redelijke termijn van behandeling met ruim acht maanden overschreden. Daarom werd de boete gematigd met 25% wegens schending hoorplicht en nogmaals met 25% wegens termijnoverschrijding, waardoor het beroep gedeeltelijk gegrond werd verklaard.
Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en boete gematigd tot € 84,37 plus administratiekosten.