ECLI:NL:RBZWB:2025:551
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet gegrond tegen niet tijdig beslissen op verzoeken om ambtshalve vermindering belastingaanslagen
Belanghebbende stelde verzet in tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank waarin het beroep tegen het niet tijdig beslissen op verzoeken om ambtshalve vermindering werd behandeld. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur niet tijdig had beslist op de verzoeken en dat het eerdere vonnis niet volledig uitdrukking gaf aan de bedoelde beslissing. Hierdoor werd het verzet gegrond verklaard en het eerdere vonnis vernietigd.
De rechtbank besloot het onderzoek te hervatten en tevens uitspraak te doen op het beroep tegen het niet tijdig beslissen. De inspecteur werd opgedragen binnen twee weken alsnog te beslissen op de verzoeken om ambtshalve vermindering. Tevens werd een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd voor het overschrijden van deze termijn, en een reeds verbeurde dwangsom van €1.442 vastgesteld.
Verzoeken om immateriële schadevergoeding werden afgewezen, maar de rechtbank kende wettelijke rente toe over de dwangsom en het griffierecht. De inspecteur werd bovendien verplicht het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Tegen het verzet staat geen rechtsmiddel open, maar tegen het beroep kan hoger beroep worden ingesteld.
Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de inspecteur wordt opgedragen binnen twee weken alsnog te beslissen op de verzoeken om ambtshalve vermindering met oplegging van een dwangsom.