Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder een duidelijk zichtbare gehandicaptenparkeerkaart. Hij voerde aan dat hij invalide was en dat zijn moeder, die een geldige gehandicaptenparkeerkaart bezit, in de auto zat. Dit verweer werd onvoldoende aannemelijk geacht door de rechtbank.
De officier van justitie had het administratief beroep van betrokkene ongegrond verklaard zonder hem te horen, wat in strijd is met de wettelijke hoorplicht. De rechtbank vernietigde daarom deze beslissing en verklaarde het beroep gegrond. Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn van behandeling van de zaak met ruim tien maanden was overschreden.
De rechtbank matigde de boete daarom twee keer met 25%, eenmaal vanwege de schending van de hoorplicht en eenmaal vanwege de termijnoverschrijding. Het teveel betaalde bedrag aan zekerheid werd aan betrokkene terugbetaald. Het beroep werd daarmee gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete verlaagd.