Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting (OZB). De heffingsambtenaar verlaagde de WOZ-waarde en verklaarde het bezwaar gegrond, waarbij tevens een recht op proceskostenvergoeding werd toegekend zonder specificatie van het bedrag.
De rechtbank behandelde het beroep en constateerde dat de hoogte van de proceskostenvergoeding niet was gespecificeerd in de uitspraak op bezwaar, wat een motiveringsgebrek opleverde. Belanghebbende vorderde dat de heffingsambtenaar het toegekende bedrag zou specificeren zodat controle mogelijk is.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar verplicht is de proceskostenvergoeding te specificeren en dat de uitspraak op bezwaar daarom vernietigd wordt voor zover deze onvoldoende gemotiveerd is. De rechtbank stelt zelf de proceskostenvergoeding vast op €1.294 voor de bezwaarfase en €907 voor de beroepsfase, alsmede een griffierecht van €51.
De overige onderdelen van het besluit, zoals de vastgestelde WOZ-waarde en de aanslag OZB, blijven ongewijzigd. De heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot betaling van de genoemde vergoedingen aan belanghebbende. De rechtbank is niet bevoegd om te oordelen over de wijze van betaling van de vergoeding in relatie tot een akte van cessie.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch binnen zes weken na verzending van het vonnis.