Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2025:3725

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 juni 2025
Publicatiedatum
16 juni 2025
Zaaknummer
BRE 24/1073
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 7:15 AwbArt. 30a Wet WOZBesluit proceskostenvergoeding bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en specificatie proceskostenvergoeding in bezwaar tegen WOZ-waarde

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting (OZB). De heffingsambtenaar verlaagde de WOZ-waarde en verklaarde het bezwaar gegrond, waarbij tevens een recht op proceskostenvergoeding werd toegekend zonder specificatie van het bedrag.

De rechtbank behandelde het beroep en constateerde dat de hoogte van de proceskostenvergoeding niet was gespecificeerd in de uitspraak op bezwaar, wat een motiveringsgebrek opleverde. Belanghebbende vorderde dat de heffingsambtenaar het toegekende bedrag zou specificeren zodat controle mogelijk is.

De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar verplicht is de proceskostenvergoeding te specificeren en dat de uitspraak op bezwaar daarom vernietigd wordt voor zover deze onvoldoende gemotiveerd is. De rechtbank stelt zelf de proceskostenvergoeding vast op €1.294 voor de bezwaarfase en €907 voor de beroepsfase, alsmede een griffierecht van €51.

De overige onderdelen van het besluit, zoals de vastgestelde WOZ-waarde en de aanslag OZB, blijven ongewijzigd. De heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot betaling van de genoemde vergoedingen aan belanghebbende. De rechtbank is niet bevoegd om te oordelen over de wijze van betaling van de vergoeding in relatie tot een akte van cessie.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch binnen zes weken na verzending van het vonnis.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en stelt de proceskostenvergoeding en griffierecht vast die de heffingsambtenaar aan belanghebbende moet betalen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/1073

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van Sabewa Zeeland(gemeente Reimerswaal), de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 28 november 2023.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 25 februari 2023 de waarde van de onroerende zaak aan [adres] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 226.000. Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende voor het jaar 2023 ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen (de aanslag OZB) van de gemeente Reimerswaal opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de waarde van de woning verlaagd naar € 203.000.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 6 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam], en namens de heffingsambtenaar mr. B. de Smit.

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar van de woning.
2.1.
Voor zover van belang staat in de uitspraak op bezwaar van 28 november 2023 het volgende:
“Aangezien uw bezwaar gegrond verklaard is, heeft u recht op een kostenvergoeding conform de huidige wet- en regelgeving.”

Beoordeling door de rechtbank

3. Tussen partijen is de WOZ-waarde voor het belastingjaar 2023 niet meer in geschil. Tussen partijen is ook niet in geschil dat belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of, en in hoeverre, de heffingsambtenaar verplicht is de toegekende proceskostenvergoeding in de uitspraak op bezwaar te specificeren.
3.1.
Belanghebbende stelt dat de algemene bewoordingen in de uitspraak op bezwaar waarin wordt verwezen naar een recht op kostenvergoeding conform de huidige wet- en regelgeving onvoldoende is. Volgens belanghebbende dient de heffingsambtenaar het toegekende bedrag aan proceskostenvergoeding te specificeren zodat de hoogte en toekenning van de proceskostenvergoeding controleerbaar is.
3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De heffingsambtenaar dient op het verzoek op een proceskostenvergoeding te beslissen bij de uitspraak op bezwaar. [1] Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. [2] De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar de hoogte van de proceskostenvergoeding noch bij uitspraak op bezwaar noch achteraf [3] heeft vastgesteld, waardoor de uitspraak op bezwaar naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is gemotiveerd. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is en de heffingsambtenaar gehouden is om het toegekende bedrag aan proceskostenvergoeding te specificeren.
Betaling proceskostenvergoeding
3.3.
Voor zover de gemachtigde van belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar de proceskostenvergoeding ten onrechte rechtstreeks aan belanghebbende heeft uitbetaald en daarmee de akte van cessie negeert overweegt de rechtbank dat zij niet bevoegd is om daarover een oordeel te vellen. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag. [4]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is in zoverre gegrond dat sprake is van een motiveringsgebrek in de uitspraak op bezwaar. Voor wat betreft de vaststelling van de proceskostenvergoeding zal de rechtbank, conform artikel 8:72, derde lid, letter b van de Awb zelf in de zaak voorzien. De overige gevolgen van het besluit, waaronder de hoogte van de WOZ-waarde en de aanslag OZB, blijven met toepassing van artikel 8:72, derde lid, letter a van de Awb in stand.
4.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde van € 647, elk punt met een wegingsfactor 1. In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding in bezwaar € 1.294.
4.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Voor de beroepsfase heeft belanghebbende recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde van € 907. De rechtbank kent in beroep een wegingsfactor toe van 0,5. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
4.3.
De proceskosten en griffierecht moeten rechtstreeks aan belanghebbende zelf worden betaald. [5]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • bepaalt dat deze uitspraak met betrekking tot de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar in de plaats treedt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak voor het overige in stand blijven;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van een vergoeding voor de kosten van bezwaar aan belanghebbende van € 1.294 onder verrekening van hetgeen (eventueel) reeds is betaald;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot een vergoeding voor de kosten in beroep aan belanghebbende van € 907;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. J.T. Jonker, griffier, op 16 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 7:15, derde lid, van de Awb.
2.Artikel 7:15, vierde lid, van de Awb en wordt uitgewerkt in artikel 2 van Pro het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht.
3.Hoge Raad 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3191.
4.Vergelijk Hoge Raad 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:324, r.o. 2.2.2. en Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4.
5.Artikel 30a, vierde en vijfde lid, van de Wet WOZ.