ECLI:NL:RBZWB:2025:3205

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 mei 2025
Publicatiedatum
23 mei 2025
Zaaknummer
BRE 25/661 t/m 25/666
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 7:10 lid 1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:106 lid 1 sub b Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroepen tegen niet tijdig beslissen belastingbezwaar niet-ontvankelijk wegens prematuur ingediende ingebrekestelling

Belanghebbende stelde beroepen in tegen het niet tijdig nemen van een beslissing door de inspecteur van de Belastingdienst op haar bezwaren. De rechtbank had eerder bepaald dat de inspecteur opnieuw moest beslissen op deze bezwaren. Belanghebbende vorderde nu dat de rechtbank oordeelde over het uitblijven van die beslissing.

De rechtbank oordeelde dat de ingebrekestelling die belanghebbende stuurde te vroeg was, omdat de wettelijke beslistermijn van zes weken nog niet was verstreken. Hierdoor waren de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk en kon de rechtbank niet inhoudelijk op de beroepen ingaan.

Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd eveneens afgewezen, omdat de beroepen zich uitsluitend richtten op het niet tijdig beslissen en niet ontvankelijk waren. De inspecteur blijft wel verplicht om alsnog een beslissing te nemen op de bezwaren.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 23 mei 2025 door de enkelvoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: De beroepen tegen het niet tijdig beslissen zijn niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/661 t/m 25/666

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen die belanghebbende heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 27 november 2024. [1] In die uitspraak staat dat de inspecteur opnieuw moet beslissen op de bezwaren van belanghebbende. Belanghebbende stelt nu beroepen in omdat de inspecteur dat volgens haar niet heeft gedaan.
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [2]
Zijn de beroepen ontvankelijk en gegrond?
3. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 27 november 2024 geen termijn genoemd waarbinnen de inspecteur is opgedragen opnieuw uitspraken op bezwaar te doen. Dit betekent dat moet worden aangesloten bij de wettelijke beslistermijn voor bezwaren van zes weken. [3] De rechtbank ziet in de gedane uitspraak of hetgeen is besproken op de zitting van 16 oktober 2024 geen aanleiding om af te wijken van de wettelijke beslistermijn. De termijn begint na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep kan worden ingesteld. [4] De inspecteur heeft bij brief van 18 februari 2025 de beslistermijn verdaagd. Dat betekent dat de heffingsambtenaar tot uiterlijk 2 april 2025 de tijd had de uitspraken op bezwaar te doen.
4. Als de betrokkene de ingebrekestelling te vroeg stuurt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk kan beoordelen. In dit geval heeft belanghebbende de inspecteur op 14 januari 2025 in gebreke gesteld. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken en is de ingebrekestelling prematuur.
5. De beroepen zijn daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank de beroepen tegen het niet tijdig beslissen niet kan beoordelen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Voorgaande neemt niet weg dat de inspecteur gehouden is om een beslissing op de bezwaren te nemen.
6. Belanghebbende heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om dat verzoek inhoudelijk te beoordelen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de beroepen van belanghebbende zich nu enkel richten tegen het niet tijdig beslissen van de inspecteur.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 23 mei 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Uitspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 november 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:8157.
2.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3.Dit staat in artikel 7:10, eerste lid van de Awb. Zie ook uitspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:6737.
4.Dit staat in artikel 8:106, eerste lid onder b van de Awb.