ECLI:NL:RBZWB:2025:256
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en toepassing gelijkheidsbeginsel
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €331.000 per 1 januari 2022. Hij stelde een lagere waarde van maximaal €285.796 voor en voerde aan dat de waardestijging ten opzichte van het voorgaande jaar onrechtvaardig hoog was en dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden.
De rechtbank toetste de waardebepaling aan de hand van de Wet WOZ en de vergelijkingsmethode. De heffingsambtenaar had de waarde onderbouwd met een taxatiematrix waarin referentiewoningen waren vergeleken en gecorrigeerd voor verschillen in oppervlakte, kwaliteit en ligging. De rechtbank vond de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar en oordeelde dat de heffingsambtenaar de waarde niet te hoog had vastgesteld.
Belanghebbendes argument dat het ontbreken van een extra slaapkamer een waardedrukkend effect zou hebben, werd verworpen omdat de totale gebruiksoppervlakte leidend is. Ook de stijging van de WOZ-waarde werd als irrelevant beoordeeld omdat de waarde jaarlijks onafhankelijk wordt vastgesteld.
Ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel stelde de rechtbank vast dat de aangehaalde buurpanden niet identiek waren aan de woning van belanghebbende, waardoor de meerderheidsregel niet van toepassing was. Er was geen sprake van begunstigend beleid of oogmerk tot begunstiging.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag OZB in stand blijven. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waardebeschikking wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft gehandhaafd.