ECLI:NL:RBZWB:2025:2403

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 april 2025
Publicatiedatum
23 april 2025
Zaaknummer
C/02/425895/HA ZA 24-471 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van den Heuvel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:106 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg polisvoorwaarden en aansprakelijkheid bij rechtsbijstandverzekering en kostenmaxima

De zaak betreft een geschil tussen een verzekerde en Stichting Achmea Rechtsbijstand (SAR) over de uitleg van polisvoorwaarden van een rechtsbijstandverzekering en de aansprakelijkheid van SAR voor tekortschieten in de rechtsbijstandverlening.

De verzekerde vordert onder meer schadevergoeding wegens een beroepsfout van SAR die niet tijdig constateerde dat de bonus tijdens ziekte niet werd uitbetaald, nieuwe kostenmaxima voor diverse procedures, vergoeding van inkomensderving en immateriële schade. SAR voert verweer en betwist aansprakelijkheid en het causaal verband.

De rechtbank oordeelt dat SAR een beroepsfout heeft gemaakt door niet tijdig te signaleren dat de bonus niet werd doorbetaald tijdens ziekte, waardoor de verzekerde schade heeft geleden. SAR wordt veroordeeld tot betaling van een netto schadevergoeding van €21.402,00 en tot het beschikbaar stellen van een nieuw kostenmaximum van €50.000 voor de procedure tegen de bestuurder van de voormalige werkgever. De overige vorderingen, waaronder immateriële schadevergoeding en inkomensderving, worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en causaal verband.

De rechtbank verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en compenseert de proceskosten tussen partijen.

Uitkomst: SAR wordt veroordeeld tot betaling van een netto schadevergoeding van €21.402 en het beschikbaar stellen van een kostenmaximum van €50.000 voor de procedure tegen de bestuurder; overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/425895 / HA ZA 24-471
Vonnis van 23 april 2025
in de zaak van
[de eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
advocaat: mr. J. de Haan,
tegen
STICHTING ACHMEA RECHTSBIJSTAND,
te Tilburg,
gedaagde partij,
hierna te noemen: SAR ,
advocaat: mr. C.W.L. van de Merbel.

1.De zaak in het kort

1.1.
Deze omvangrijke zaak komt in de kern op het volgende neer. [de eiser] is voor rechtsbijstand verzekerd bij Achmea Schadeverzekeringen N.V. SAR voert deze verzekering uit. [de eiser] heeft sinds 2017 verschillende malen een beroep moeten doen op haar verzekering. [de eiser] is ontevreden over de manier waarop SAR rechtsbijstand heeft verleend en hoe zij de rechtsbijstandsverzekering uitvoert. Dit leidt in deze procedure tot verschillende vorderingen van [de eiser] , met als voornaamste inzet het krijgen van schadevergoeding en nieuwe kostenmaxima om verder te procederen tegen verschillende partijen. SAR voert uitgebreid verweer.
1.2.
De rechtbank wijst de gevorderde schadevergoedingen af. Op het punt van het kostenmaximum krijgt [de eiser] deels gelijk.
1.3.
Dit oordeel wordt hierna onder het kopje ‘De beoordeling’ toegelicht. Eerst worden het verloop van de procedure, de feiten, het verzoek en het verweer daartegen geschetst. Tot slot volgt de beslissing van de rechtbank.

2.Het verloop van de procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 het tussenvonnis van 30 oktober 2024 en de daarin genoemde processtukken,
 de akte overlegging producties tevens vermeerdering eis van [de eiser] , voor wat betreft de producties en de geformuleerde eiswijziging (de verdere tekst van de akte blijft buiten beschouwing),
 de akte overlegging tijdverantwoording met productie 76 van [de eiser] ,
 de zitting van 12 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
 de spreekaantekeningen van de advocaat van [de eiser] , voor zover de alinea’s zijn voorgelezen tijdens de zitting (dat wat niet is voorgelezen is doorgestreept op de exemplaren van de rechtbank).
2.2.
De rechtbank heeft aan het einde van de zitting bepaald dat er een vonnis zal komen.

3.De feiten

3.1.
[de eiser] heeft op 4 juli 2017 een rechtsbijstandverzekering afgesloten bij Achmea Schadeverzekeringen N.V. De verzekeraar heeft het verlenen van rechtsbijstand onder de verzekeringspolis toevertrouwd aan SAR .
3.2.
De rechtsbijstandverzekering dekt de schade die de verzekerde lijdt doordat hij betrokken raakt in een geschil waarvoor rechtsbijstand nodig is. De schade kan vergoed worden in natura, doordat juristen of advocaten van SAR zelf de rechtsbijstand verlenen. Deze schadevergoeding in natura is onbeperkt verzekerd. De schade kan ook vergoed worden in de vorm van het vergoeden van kosten die een derde maakt voor het verlenen van rechtsbijstand aan de verzekerde. In dat geval gelden de volgende voorwaarden (Werk en Inkomen LEX-RV-52-171):

13.Tot welk bedrag zijn de extra kosten verzekerd?

Tot maximaal € 50.000,- per gebeurtenis.

Behalve bij een gerechtelijke of administratieve procedure waarbij een advocaat of juridisch deskundige niet wettelijk verplicht is.
-
En de verzekerde kiest zelf toch voor een advocaat of juridisch deskundige.
-
Dan zijn alle extra kosten samen verzekerd tot € 8.000,- per gebeurtenis.

14.Zorgt 1 gebeurtenis voor meerdere geschillen?

Dan geldt het maximumbedrag voor al deze geschillen samen.

Ook als meerdere samenhangende gebeurtenissen voor deze geschillen zorgen.
Schade wordt alleen vergoed (en rechtsbijstand wordt dus alleen geleverd) indien er een redelijke kans van slagen is om het door de verzekerde gewenste resultaat te behalen.
3.3.
[de eiser] heeft op 25 juli 2017 een eerste geschil gemeld bij SAR . Het betrof een geschil met haar [voormalige werkgever] B.V. (hierna: “ [de voormalige werkgever] ”) over het opnemen van vakantie.
3.4.
[de eiser] heeft op 30 augustus 2017 een tweede melding gedaan bij SAR . Deze melding zag op een weigering van [de voormalige werkgever] om vakantieverlof te verlenen en op een dreiging met ontslag. [de eiser] heeft zich op dezelfde dag ziek gemeld bij haar werkgever. SAR heeft een dossier met [kenmerk 1] aangemaakt. De behandeling van het dossier is opgepakt door mevrouw [naam 1] , jurist bij SAR .
3.5.
[de eiser] heeft [naam 1] op 7 december 2017 onder andere de loonstroken over de periode juni 2017 tot en met november 2017 toegezonden. Op 8 december 2017 heeft [naam 1] [de eiser] het volgende gemaild:

Bedankt voor het maken van een overzicht van jouw bonusbedragen. Hieronder tref je de berekening van de transitievergoeding met meerdere varianten aan. Ik ben in mijn berekening uit gegaan van het bedrag van EUR 1.201,- bruto per maand als bonus. (…)
Mocht het aankomen op een onderhandeling over de beëindiging van het dienstverband, dan spelen daarbij de volgende punten vaak een rol:
(…)
uitbetaling van de bonus (…).”
3.6.
De behandeling van het dossier is in mei 2018 overgenomen door een collega van [naam 1] , mevrouw [naam 2] . In een e-mail van 18 oktober 2018 heeft [naam 2] [de eiser] verzocht om toezending van salarisstroken waaruit blijkt wat het salaris was op basis van 70%, en om een salarisstrook uit de periode dat [de eiser] nog niet ziek was en 100% uitbetaald kreeg. [de eiser] heeft op 19 oktober 2018 geantwoord:

In de bijlage zoals je het verzocht: salaris 70% uitbetaald, januari 2018 en salaris 100% uitbetaald, augustus 2017 (heb een 100% salarisstrook gezocht zonder bonus uitbetaling). (…)
3.7.
In een uitgebreide e-mail van [naam 2] aan [de eiser] van 7 november 2018 over het onderwerp re-integratie is onder andere opgenomen:

Tijdens arbeidsongeschiktheid is jouw werkgever op grond van de wet verplicht twee jaar (104 weken) het salaris te betalen. De hoogte van het salaris bedraagt in beginsel 70% (behoudens uitzonderingen op grond van de arbeidsovereenkomst en/of Cao). Op dit moment betaalt jouw werkgever 70% van je gebruikelijke salaris. (…)
In jouw situatie kan niet worden betoogd dat de loonwaarde hoger is dan het salaris dat wordt betaald. (…) Voor dit moment betaalt de werkgever dan ook het juiste salaris. Mochten zich nieuwe ontwikkelingen voordoen ten aanzien van je belastbaarheid dan kunnen we dat te zijner tijd met elkaar bespreken. (…)
3.8.
Mevrouw [naam 3] van SAR heeft de behandeling van het dossier op enig moment overgenomen van [naam 2] . [de eiser] heeft op 23 april 2020 telefonisch en per e-mail aan [naam 3] aangegeven dat zij met twee advocaten gesproken had die haar hadden aangegeven dat zij ook tijdens ziekte recht had op de bonus.
3.9.
Op 4 mei 2020 heeft [naam 3] [de eiser] het volgende gemaild over het recht op betaling van de bonus tijdens ziekte:

Tijdens ons telefoongesprek op 1 mei jl. hebben wij het verder uitvoerig gehad over uw recht op bonus tijdens uw arbeidsongeschiktheid. Ik heb aangegeven dat ik inderdaad vermoed dat u gedurende uw arbeidsongeschiktheid ook recht had op doorbetaling van uw bonus. (…)
U geeft aan dat u het erg vindt dat mijn collega’s dit niet eerder hebben opgemerkt. Dat is inderdaad begrijpelijk. De stukken waren in 2017 dan ook al bekend bij ons. Gelukkig is uw vordering niet verjaard en is het mogelijk om hier nog aanspraak op te maken. (…)
3.10.
[de eiser] heeft SAR laten weten dat zij geen rechtsbijstand van SAR meer wenste, maar vergoeding van de kosten van de door haarzelf gekozen advocaat mr. H.C. Uittenbogaart (“ Uittenbogaart ”). SAR heeft Uittenbogaart op 18 juni 2020 namens [de eiser] opdracht gegeven om in een procedure betaling van achterstallig loon (de bonus) te vorderen. Ook is verzocht om beëindiging van het slapende dienstverband onder toekenning van een transitievergoeding te verzoeken, indien de werkgever de toezegging om dit te betalen niet zou nakomen. Tot slot is in de opdracht meegenomen dat Uittenbogaart conservatoir beslag zou laten leggen. SAR heeft met Uittenbogaart afgesproken dat hij zijn werkzaamheden in de hoofdzaak zou uitvoeren voor een fixed fee van € 3.000,00 exclusief btw. Voor het leggen van conservatoir beslag gold een fixed fee van € 1.800,00 exclusief btw. In de opdrachtbevestiging is tot slot aangegeven dat het kostenmaximum in de hoofdzaak € 8.000,00 inclusief btw bedroeg en € 50.000,00 inclusief btw voor het leggen van conservatoir beslag.
3.11.
De kantonrechter van de rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis in kort geding van 27 augustus 2020 geoordeeld dat [de voormalige werkgever] [de eiser] ter zake de bonus een bedrag van € 33.763,30 bruto moest betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% en de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid van de jaarlijkse bonusbedragen tot de dag van de voldoening. Ook is een bedrag van € 5.599,02 bruto wegens niet genoten vakantiedagen en een bedrag van € 13.181,65 bruto als vergoeding ter hoogte van de transitievergoeding toegekend.
3.12.
[de eiser] heeft het door het gelegde beslag getroffen bedrag van € 8.839,29 ontvangen. De rest van het door de rechter in kort geding toegewezen bedrag is onbetaald gebleven.
3.13.
[de voormalige werkgever] is op 14 oktober 2020 op eigen aangifte failliet verklaard.
3.14.
Op 15 januari 2021 heeft SAR namens [de eiser] opdracht verstrekt aan Uittenbogaart om twee procedures te starten om het restant van het door de rechter in kort geding toegewezen bedrag verhaald te krijgen. De procedures hebben als inzet de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij respectievelijk de bestuurder van [de voormalige werkgever] . Met Uittenbogaart is per procedure een fixed fee van € 3.500,00 exclusief btw overeengekomen. De opdrachtbevestiging vermeldt dat het kostenmaximum in dit dossier (met [kenmerk 1] ) € 50.000,00 inclusief btw is. Uittenbogaart heeft de concept dagvaardingen opgesteld.
3.15.
Vanwege een geschil met Uittenbogaart is de behandeling van beide zaken op verzoek van [de eiser] op 16 december 2021 uitbesteed aan advocaat mr. P.H. Pijpelink (“ Pijpelink ”). Pijpelink verrichtte zijn werkzaamheden tegen een uurtarief van € 200,00 exclusief btw. SAR heeft in de opdrachtbevestiging vermeld dat het kostenmaximum in dit dossier € 50.000,00 inclusief btw bedroeg, waarvan reeds ongeveer € 30.000,00 was uitgegeven.
3.16.
Op 18 december 2020 is na een melding door [de eiser] [dossier 1] aangemaakt door SAR . Het betrof een geschil met de AOV- verzekeraar Credit Life (“Credit Life”) van [de eiser] over een woonlastenuitkering. Op 16 november 2021 heeft SAR namens [de eiser] opdracht verstrekt aan advocaat mr. B.R. Van Buul (“Van Buul ”) om een procedure te starten tegen Credit Life. In de opdrachtbevestiging is opgenomen dat Van Buul zijn werkzaamheden verricht op basis van een uurtarief van € 240,00 exclusief btw. Ook is vermeld dat SAR na 15 uur een contactmoment met Van Buul wilde hebben om te bespreken of de bestede uren nog in lijn waren met de inschatting: “
Verzekerde heeft namelijk te maken met een kosten maximum en ik wil voorkomen dat zij voor eigen kosten komt te staan.” Tot slot vermeldt de bevestiging dat het kostenmaximum in deze zaak
€ 50.000,00 inclusief btw bedraagt.
3.17.
Op 21 januari 2022 heeft SAR geantwoord op een vraag van [de eiser] naar het aantal gebeurtenissen dat in haar zaak speelde:

U verzocht mij om te beoordelen hoeveel gebeurtenissen in uw kwesties spelen. U gaf zelf aan dat dit er drie waren.
Uw werkgever heeft uw verlof geweigerd tijdens uw ziekte;
Uw werkgever heeft geweigerd het tijdens ziekte ontstane achterstallig loon te voldoen en het slapende dienstverband te beëindigen;
De vordering tot schadevergoeding in verband met de tekortkomingen bij uw reïntegratie.
Ik zie dat er door of na uw ziekmelding verschillende discussies ontstaan met voornamelijk de werkgever. Ook zijn er verschillende procedures gevoerd die zijn voortgekomen uit deze discussies, of die daar verband mee houden.
Al met al heeft volgens u de werkgever op meerdere punten niet goed gehandeld voortvloeiende uit de situatie van de ziekte. Ik zie daarom ook maar 1 gebeurtenis en daarmee ook slechts 1 kostenmaximum. (…)
3.18.
[de eiser] heeft hier op 24 januari 2022 een klacht over ingediend. Deze klacht is op 14 februari 2022 ongegrond verklaard. In totaal heeft [de eiser] in de loop der jaren 41 klachten ingediend over de dienstverlening van SAR .
3.19.
Op 26 maart 2021 is na een melding door [de eiser] [dossier 2] aangemaakt door SAR . [de eiser] was het niet eens met de beslissing van het UWV inzake de uitkering wegens betalingsonmacht van [de voormalige werkgever] . SAR heeft op 14 oktober 2021 namens [de eiser] opdracht verstrekt aan advocaat Pijpelink om [de eiser] te vertegenwoordigen in de beroepsprocedure tegen het UWV. Pijpelink heeft zijn werkzaamheden verricht tegen een uurtarief van
€ 200,00 exclusief btw. In de opdrachtbevestiging is opgenomen dat SAR maximaal 15 uur ter beschikking stelde voor de werkzaamheden in dit dossier. Tot slot is vermeld dat het kostenmaximum in dit dossier € 8.000,00 inclusief btw bedraagt.
3.20.
[de eiser] heeft op 17 augustus 2022 klachten over SAR ingediend bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening ( [naam 4] ). Op 10 november en 14 november 2022 heeft de klachtencoördinator van SAR per e-mail contact gehad met de secretaris van [naam 4] over de vraag met wie de voorzitter van [naam 4] het beste contact kon opnemen ‘
over klachtbehandeling en voeren van verweer over uitleg/onduidelijkheid polisvoorwaarden.
3.21.
Op 22 juni 2023 heeft [de eiser] per e-mail aan SAR kenbaar gemaakt dat bij haar het vermoeden was gerezen dat er – naast de gebruikelijke contactmomenten in het kader van de klachtenprocedure – contact was geweest tussen SAR en [naam 4] . In reactie daarop heeft SAR aangegeven dat vragen over het verloop van de procedure, waaronder vragen over contacten tussen SAR en [naam 4] , gesteld konden worden aan de secretaris van [naam 4] . [de eiser] heeft de procedure bij [naam 4] vervolgens beëindigd.
3.22.
[de eiser] heeft SAR bij brief van haar advocaat van 17 november 2023 aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden materiële en immateriële schade.

4.De vorderingen van [de eiser] en het verweer van SAR

4.1.
[de eiser] vordert na wijziging van eis – samengevat – dat rechtbank bij vonnis:
I. voor recht verklaart dat SAR de zorgplicht heeft geschonden, althans onrechtmatig heeft gehandeld jegens [de eiser] ,
II. SAR veroordeelt tot betaling aan [de eiser] van een schadevergoeding van € 30.632,53 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% en de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2017 tot de dag van volledige betaling,
III. SAR veroordeelt om in het dossier met [kenmerk 2] het bedrag van
€ 15.446,81 beschikbaar te stellen,
IV. SAR veroordeelt om in het dossier met [kenmerk 3] nieuwe kostenmaxima van € 50.000,00 per procedure beschikbaar te stellen,
V. SAR veroordeelt om in het dossier met [kenmerk 1] het bedrag van
€ 25.071,78 beschikbaar te stellen en aan het kostenmaximum toe te voegen,
VI. SAR veroordeelt tot betaling aan [de eiser] van € 116.722,62 bruto wegens inkomstenderving over de periode oktober 2021 tot en met augustus 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid van iedere maandelijkse termijn tot aan de dag van volledige betaling,
VII. SAR veroordeelt tot betaling aan [de eiser] van € 47.000,00 netto aan immateriële schadevergoeding over de periode oktober 2021 tot en met augustus 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid van iedere maandelijkse termijn tot aan de dag van volledige betaling,
VIII. SAR veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten,
IX. SAR veroordeelt tot betaling van de volledige werkelijke proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[de eiser] vordert dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Dat betekent dat [de eiser] de mogelijkheid wil krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als SAR in hoger beroep gaat.
4.2.
SAR voert verweer. SAR concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.
4.3.
De rechtbank gaat hierna in op de relevante standpunten die partijen ter onderbouwing van hun vorderingen en het verweer daartegen hebben ingenomen.

5.De beoordeling

Vordering I: verklaring voor recht

5.1.
De door [de eiser] gevorderde verklaring voor recht wordt gevolgd door daarop gebaseerde concrete vorderingen tot veroordeling van SAR tot het vergoeden van schade tot gespecificeerde bedragen alsmede tot het beschikbaar stellen van concrete nieuwe kostenmaxima. De door [de eiser] gevorderde verklaring voor recht heeft dan ook geen zelfstandige betekenis. [de eiser] heeft geen belang bij deze vordering zodat zij in deze vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard.
Vordering II: schadevergoeding
Standpunten van partijen
5.2.
[de eiser] vordert betaling van een bedrag aan schadevergoeding van € 30.632,53 bruto. Deze vordering ziet op het bedrag aan bonus dat door de kantonrechter te Amsterdam in kort geding is toegewezen aan [de eiser] (zie 3.11). Toegewezen is een bedrag van
€ 33.763,30 bruto. Daarop strekt in mindering een bedrag van € 3.130,77 bruto dat [de eiser] heeft ontvangen van het UWV in het kader van achterstallig loon over een periode van 13 weken voor de einddatum van het dienstverband. [de eiser] vordert ook de wettelijke verhoging van 10% die door de kantonrechter is toegewezen (een bedrag van € 3.376,33) en de wettelijke rente. Wat betreft de wettelijke rente heeft [de eiser] op de zitting aangegeven dat de ingangsdatum 30 september 2017 moet zijn (waar in de dagvaarding 29 augustus 2017 is gevorderd).
5.3.
SAR heeft een beroepsfout gemaakt door niet tijdig te constateren dat de bonus niet tijdens ziekte werd uitbetaald. Door deze beroepsfout werd [de voormalige werkgever] opeens geconfronteerd met een loonvordering over 33 maanden. Zonder de beroepsfout was de vordering niet zo hoog opgelopen en waren de gevolgen – het faillissement, en alle daaruit voortkomende geschillen – niet aan de orde geweest, aldus [de eiser] .
5.4.
SAR voert verweer. Het is niet de taak van SAR om eventuele geschillen te constateren, dat is aan de verzekerde. [de eiser] heeft niet gemeld dat zich een geschil voordeed wat betreft de bonusbetalingen tijdens ziekte. De zorgplicht van SAR gaat pas in na melding van een geschil. Bovendien heeft [de eiser] haar recht op schadevergoeding verwerkt, nu zij niet heeft voldaan aan haar klachtplicht. Zij wist op 23 april 2020 had zij wellicht recht had op doorbetaling van de gemiddelde bonus tijdens ziekte, maar heeft SAR pas op 20 november 2023 aansprakelijk gesteld. Indien [de eiser] tijdig had geklaagd, had SAR schadebeperkend kunnen optreden door de schade aan [de eiser] te vergoeden. Ook geldt dat de schade niet aan haar kan worden toegerekend, maar aan de betalingsonmacht van [de voormalige werkgever] . [de eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat ze schade heeft geleden en dat [de voormalige werkgever] de bonus uitbetaald zou hebben indien daar al in 2017 om gevraagd zou zijn. Wat betreft de wettelijke rente voert SAR aan dat de bonusbedragen maandelijks opeisbaar werden. Bovendien geldt volgens SAR dat de wettelijke rente pas verschuldigd zijn vanaf 20 november 2023, de datum waarop [de eiser] SAR aansprakelijk heeft gesteld.
5.5.
In haar conclusie van antwoord heeft SAR aangeboden vanuit coulance een bedrag van € 21.402,00 netto aan [de eiser] te willen betalen. SAR voert aan dat [de eiser] een bruto schadevergoeding vordert, maar dat alleen het netto equivalent schade kan zijn nu geen inkomstenbelasting verschuldigd is. Het aangeboden bedrag is het netto equivalent van het gevorderde bedrag aan schadevergoeding plus wettelijke verhoging. SAR heeft op de zitting aangegeven dat de betaalopdracht inmiddels gegeven is.
Het oordeel van de rechtbank
5.6.
De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de zitting was het volgens SAR betaalde bedrag nog niet bijgeschreven op de rekening van [de eiser] . [de eiser] heeft haar vordering gehandhaafd.
5.7.
De betaling uit coulance houdt geen erkenning van aansprakelijkheid in door SAR . Op het punt van de wettelijke rente hebben partijen elkaar niet kunnen vinden. Dat brengt met zich mee dat de rechtbank moet beoordelen of SAR op het punt van (het adviseren over) de bonusbetalingen tekort is geschoten en de overige weren van SAR dient te beoordelen.
5.8.
De rechtbank is van oordeel dat SAR in haar advisering is tekortgeschoten. [de eiser] heeft in ieder geval op twee verschillende momenten salarisstroken toegezonden aan SAR (zie 3.5 en 3.6). Daaruit had opgemaakt kunnen worden dat er sprake was van een maandelijkse bonus en dat de bonus tijdens ziekte niet meer werd betaald. Van SAR mag verwacht worden dat zij over de juridische kennis beschikt om te signaleren dat dit aan de orde was en daar vervolgens de juiste juridische acties op uit te zetten. Dat heeft SAR niet gedaan en dit kwalificeert als een beroepsfout. [de eiser] heeft na de ontdekking daarvan op 23 april 2020 direct telefonisch en per e-mail contact gezocht met SAR . [naam 3] heeft vervolgens op 4 mei 2020 het vermoeden dat [de eiser] tijdens ziekte aanspraak had op haar bonus bevestigd en aangegeven dat het nog mogelijk was om hier aanspraak op te maken. Dat een formele aansprakelijkstelling pas in 2023 is gevolgd, doet niet af aan het gegeven dat [de eiser] haar klacht tijdig kenbaar heeft gemaakt. Indien SAR [de voormalige werkgever] tijdig buiten en zo nodig in rechte zou hebben aangesproken op betaling van de maandelijkse bonus, zou een faillissement op dat moment waarschijnlijk niet aan de orde zijn geweest. SAR heeft onvoldoende onderbouwd dat [de voormalige werkgever] ook het faillissement zou hebben aangevraagd indien zij zou zijn veroordeeld tot betaling van de bonus over slechts enkele maanden.
5.9.
Dit betekent dat SAR ook zonder de betaling uit coulance gehouden zou zijn tot vergoeding van de schade die [de eiser] lijdt als gevolg van de fout van SAR op dit punt. Nu SAR bereid is de gevorderde schadevergoeding inclusief wettelijke verhoging te betalen, maar door de rechtbank niet kan worden vastgesteld of [de eiser] het bedrag inmiddels ontvangen heeft, is de vordering van [de eiser] op deze punten toewijsbaar. De rechtbank wijst het netto equivalent van € 21.402,00 toe, nu [de eiser] de juistheid van dit bedrag niet heeft weersproken. Uiteraard geldt dat [de eiser] het vonnis op dit punt niet kan executeren indien zij de toegezegde betaling inmiddels heeft ontvangen. De wettelijke rente is daarom ook toewijsbaar. Als ingangsdatum geldt 30 september 2017, de datum waarop de bonus betaling over de maand september 2017 onweersproken betaald had moeten zijn. Over de maanden vanaf oktober 2017 tot het moment van het einde van de loonbetalingsplicht aan [de eiser] geldt dat de wettelijke rente over de betreffende maandelijkse bonus telkens aan het einde van iedere maand is gaan lopen.
Vordering III: extra budget in dossier [kenmerk 2]
Standpunten van partijen
5.10.
[de eiser] vordert dat SAR in de kwestie van het geschil tegen Credit Life over de woonlastenuitkering een budget van € 15.446,81 beschikbaar stelt. Van Buul heeft het geldende kostenmaximum van € 50.000,00 vrijwel geheel gedeclareerd, waardoor er voor de behandeling van het ingestelde hoger beroep door de opvolgende door [de eiser] gekozen advocaat vrijwel niets meer over is. SAR heeft nagelaten (voldoende) regie te voeren. Afgesproken was dat de behandeling van de zaak zou worden overgedragen aan een advocaat uit het netwerk van SAR op het moment dat een bedrag van ongeveer € 17.500,00 gedeclareerd zou zijn door Van Buul . Het honorarium van een netwerkadvocaat wordt niet in mindering gebracht op het kostenmaximum. Dit zogenaamde plan B zou aan de orde zijn nadat Van Buul de dagvaarding had uitgebracht. Na het uitbrengen van de dagvaarding heeft SAR echter geen contact gezocht met Van Buul , zodat een overstap niet heeft plaatsgevonden. SAR heeft geen contactmomenten gehouden met Van Buul over zijn bestede uren en heeft de ingediende declaraties niet op redelijkheid beoordeeld. SAR ging er vanuit dat Van Buul in eenheden van 3 minuten declareerde, terwijl hij dit deed in eenheden van 5 minuten. Deze fout van SAR leidt er toe dat er 40% teveel betaald is uit het kostenmaximum, aldus [de eiser] .
5.11.
SAR voert aan dat er geen grond is om een aanvullend budget ter beschikking te stellen in dit dossier. Het totale kostenmaximum van € 50.000,00 is op juiste gronden vergoed. Het is primair de taak van [de eiser] zelf om met haar advocaat afspraken te maken over de aard en de omvang van de te verrichten werkzaamheden. Van Buul declareerde aan [de eiser] en stuurde een kopie van deze declaraties aan SAR met het verzoek om die te vergoeden. [de eiser] wist dus precies welke bedragen Van Buul voor welke werkzaamheden aan haar in rekening bracht. SAR heeft drie facturen van Van Buul zonder toestemming van [de eiser] vergoed, maar [de eiser] heeft daardoor geen schade geleden omdat SAR de som van deze facturen niet in mindering heeft gebracht op het kostenmaximum in dit dossier. [de eiser] heeft aan SAR gevraagd om de declaraties van Van Buul niet te vergoeden, waarbij ze heeft aangegeven dat zij dat nog zou motiveren. Deze motivatie is ondanks herhaald verzoek van SAR uitgebleven, waarna SAR heeft besloten om de declaraties conform de opdrachtbevestiging te betalen. [de eiser] wilde haar zaken – deze zaak, en ook de andere lopende zaken – niet laten behandelen door een advocaat uit het netwerk van SAR , aldus SAR .
Het oordeel van de rechtbank
5.12.
Voor toewijzing van de vordering van [de eiser] is allereest vereist dat vastgesteld wordt dat de declaraties zoals Van Buul die heeft ingediend bij SAR onjuist zijn. Pas als dat aan de orde is, kan de vervolgstap aan de orde komen, namelijk of SAR die onjuistheid had moeten constateren en daar actie op had moeten ondernemen (en zo ja: of dat tot schade aan de kant van [de eiser] heeft geleid).
5.13.
[de eiser] heeft onvoldoende aangetoond dat Van Buul te veel zou hebben gedeclareerd. [de eiser] beschikte over alle (gespecificeerde) declaraties van Van Buul , en kon anders dan SAR een inschatting maken of de gedeclareerde tijd ook daadwerkelijk besteed was aan haar zaak. Het had dan ook op de weg van [de eiser] gelegen om duidelijk stelling in te nemen over de omvang van de declaraties van Van Buul en gemotiveerd aan te geven waarom deze te hoog zouden zijn. Dit heeft zij nagelaten. De stellingen over de eenheden waarin geschreven werd zijn in dat kader onvoldoende, nu niet valt in te zien hoe dat voor het bedrag onder aan de streep een verschil uitmaakt. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat SAR ten onrechte betalingen heeft gedaan aan Van Buul .
5.14.
Wat betreft de door [de eiser] gestelde afspraak om na het uitbrengen van de dagvaarding door Van Buul over te stappen naar een netwerkadvocaat, geldt – hoe die afspraak ook precies zou luiden, daar zijn partijen het niet over eens – dat [de eiser] deze overstap zelf had kunnen initiëren. Zij wist immers dat Van Buul haar na het uitbrengen van de dagvaarding nog steeds in de procedure bijstond. Indien zij dat niet wenste, had zij dit bij SAR kunnen aangeven en de overstap naar een netwerkadvocaat kunnen maken. [de eiser] had dit kunnen doen, maar heeft dit niet gedaan. Van een daadwerkelijke bereidheid bij [de eiser] om de overstap te maken naar een netwerkadvocaat is ook niet gebleken. Ook voor het hoger beroep heeft [de eiser] geen bijstand gezocht van een netwerkadvocaat.
5.15.
Er geen sprake van schade aan de kant van [de eiser] die door SAR vergoed zou moeten worden. De vordering van [de eiser] wordt afgewezen.
Vordering IV: nieuwe kostenmaxima in dossier [kenmerk 1]
Standpunten van partijen
5.16.
[de eiser] vordert twee nieuwe kostenmaxima van € 50.000,00 voor de procedures tegen (1) de Deense moedermaatschappij met als inzet de doorbraak van aansprakelijkheid na het faillissement van [de voormalige werkgever] en (2) de bestuurder van [de voormalige werkgever] met als inzet een schadevergoeding wegens schending van de re-integratieverplichting. Het standpunt van [de eiser] komt er samengevat op neer dat er sprake is van verschillende gebeurtenissen, zodat per procedure een kostenmaximum van € 50.000,00 van toepassing zou moeten zijn.
5.17.
SAR voert aan dat er sprake is van één feitelijke gebeurtenis waar meerdere geschillen uit voortvloeien. Deze ene feitelijke gebeurtenis betreft de ziekmelding van [de eiser] op 30 augustus 2017. Daardoor zijn meerdere geschillen ontstaan waarvoor rechtshulp nodig is. Op grond van artikel 14 van Pro de polisvoorwaarden geldt het kostenmaximum voor al deze geschillen samen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat er meerdere gebeurtenissen ten grondslag liggen aan de geschillen, geldt wat SAR betreft dat deze meerdere gebeurtenissen met elkaar samenhangen zoals bedoeld in hetzelfde artikel van de polisvoorwaarden. Deze (alsdan afzonderlijke) gebeurtenissen komen allemaal voort uit de ziekmelding door [de eiser] bij haar voormalig werkgever die vervolgens tekortschiet in de nakoming van verplichtingen jegens [de eiser] . Ook dan geldt er slechts één kostenmaximum voor alle geschillen, aldus SAR .
Het oordeel van de rechtbank
5.18.
[de eiser] heeft een punt gemaakt van het feit dat voor haar niet duidelijk is welke polisvoorwaarden waar precies op van toepassing zijn, maar heeft ook gesteld dat in ieder geval de voorwaarden zoals aangehaald in rechtsoverweging 3.2 gelden. Nu ook SAR van de inhoud van deze voorwaarden uitgaat, neemt de rechtbank deze voorwaarden als basis voor de beoordeling.
5.19.
In de polisvoorwaarden is opgenomen dat er recht is op vergoeding van externe kosten tot € 50.000,00 als er sprake is van één gebeurtenis (in geval er verplichte procesvertegenwoordiging geldt in de procedure). Indien één gebeurtenis voor meerdere geschillen zorgt, dan geldt het maximumbedrag voor al deze geschillen samen, ook als meerdere samenhangende gebeurtenissen voor deze geschillen zorgen.
5.20.
Voor de uitleg van een bepaling is van belang de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepaling mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de zogenoemde Haviltex-maatstaf). Nu van het tegendeel niet is gebleken, mag worden aangenomen dat partijen niet over de polisvoorwaarden hebben onderhandeld en dat er ook niet een toelichting daarop is verstrekt. In dat geval is de uitleg met name afhankelijk van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel (HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793, (Chubb/Dagenstaed).
5.21.
[de eiser] stelt onder verwijzing naar een uitspraak van [naam 4] (2018-462) over de uitleg van overeenstemmende polisvoorwaarden van rechtsbijstandverlener DAS dat er dient te worden gekeken naar de objectieve, juridische relevante feitelijke oorzaak van elk geschil. SAR heeft in haar conclusie van antwoord verwezen naar de conclusie van de AG bij het arrest van de Hoge Raad van 16 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1215). In deze conclusie wordt verwezen naar dezelfde uitspraak van de geschillencommissie van [naam 4] als aangehaald door [de eiser] , waarin is geoordeeld dat onder gebeurtenis wordt verstaan het voorval of de feitelijke ontwikkeling die redelijkerwijs moet worden verstaan als de oorzaak van het geschil. De rechtbank zal uitgaan van deze laatste uitleg waarin centraal staat de vraag wat de oorzaak van het geschil is.
5.22.
Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van samenhangende gebeurtenissen acht de rechtbank niet beslissend dat de ziekte van [de eiser] aan de basis ligt van zowel het geschil over het loon tijdens ziekte als de schending van de re-integratieverplichtingen. Uit ziekte van een werknemer kunnen tal van geschillen voortvloeien die geen enkel verband houden met elkaar, zoals een ontslagprocedure wegens langdurige arbeidsongeschiktheid en een geschil over de hoogte van de WIA-uitkering. Het gaat er om of de geschillen die hebben geleid tot de noodzaak van rechtsbijstand verband houden met elkaar. Die verbondenheid is er als er sprake is van dusdanige samenhang dat deze als één gebeurtenis moet worden gezien.
Procedure tegen de moedermaatschappij
5.23.
De directe oorzaak van het geschil met de Deense moedermaatschappij is gelegen in het feit dat [de eiser] het toewijzend vonnis in kort geding niet kon executeren vanwege het faillissement van [de voormalige werkgever] . Vanwege dit faillissement werd [de eiser] genoodzaakt om op zoek te gaan naar een partij waarop zij haar vordering kon incasseren. Zonder het faillissement zou dat niet nodig zijn geweest. De procedure in kort geding was nodig omdat [de voormalige werkgever] het bonusloon tijdens ziekte niet aan [de eiser] had uitbetaald. Het voorval dat aan zowel de procedure in kort geding als aan de procedure tegen de moedermaatschappij ten grondslag ligt is dan ook de weigering van de voormalige werkgever van [de eiser] om haar tijdens ziekte het juiste loon uit te betalen. Dit betreft één gebeurtenis, zodat voor de procedure tegen de moedermaatschappij geen apart kostenmaximum van toepassing is. De vordering van [de eiser] wordt afgewezen voor zover deze ziet op de procedure tegen de moedermaatschappij.
Procedure tegen de bestuurder
5.24.
De oorzaak van het geschil met de bestuurder van [de voormalige werkgever] is gelegen in een gestelde schending van de op een werkgever rustende re-integratieverplichtingen tijdens ziekte. Het schenden van re-integratieverplichtingen is naar het oordeel van de rechtbank een ander voorval of feitelijke ontwikkeling dan het niet betalen van het juiste loon tijdens ziekte. Er is dan ook sprake van een andere gebeurtenis.
5.25.
Deze gebeurtenis hangt naar het oordeel van de rechtbank niet dusdanig samen met de gebeurtenis van het niet betalen van het juiste loon tijdens ziekte dat gesproken kan worden over één gebeurtenis. Tussen de loonbetalingsverplichting tijdens ziekte en de verplichting om een werknemer te re-integreren bestaat onvoldoende samenhang. Een werkgever kan zijn re-integratieverplichtingen nakomen maar niet het juiste loon betalen en andersom. Dit betekent dat voor de procedure tegen de bestuurder van [de voormalige werkgever] een apart kosten maximum van € 50.000,00 dient te gelden. De vordering van [de eiser] wordt in zoverre toegewezen.
Vordering V: toevoegen bedrag aan kostenmaximum in dossier [kenmerk 1]
Standpunten van partijen
5.26.
[de eiser] stelt zich op het standpunt dat bepaalde uitgaven niet nodig waren geweest als SAR in december 2017 juist had geadviseerd over betaling van het bonusloon. De externe kosten voor het kort geding, het conservatoir beslag, het procesadvies, de procedure tegen de moedermaatschappij en de procedure tegen het UWV over de loongarantieregeling zouden dan niet zijn gemaakt. Het gaat om een totaal bedrag van € 25.071,78. Dit bedrag moet daarom ter beschikking worden gesteld voor vergoeding van externe kosten in genoemd dossier.
5.27.
SAR voert verweer. [de eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden en dat [de voormalige werkgever] de bonus zou hebben willen dan wel kunnen uitbetalen indien daar al in 2017 om gevraagd zou zijn. Niet voor niets heeft [de voormalige werkgever] direct na het vonnis in kort geding faillissement aangevraagd.
Het oordeel van de rechtbank
5.28.
Het enkele feit dat de betaling van de bonus tijdens ziekte niet al eind 2017 aan de orde is gesteld bij [de voormalige werkgever] maar pas in 2020 brengt niet met zich mee dat aannemelijk is dat de andere procedures niet gevoerd zouden zijn. [de voormalige werkgever] heeft [de eiser] een vaststellingsovereenkomst aangeboden, maar deze is niet geaccepteerd door [de eiser] omdat de werkgever niet volledig wilde betalen. Alleen al dit gegeven toont aan dat ook bij tijdige onderkenning van de bonusdiscussie een procedure tussen [de eiser] en [de voormalige werkgever] in het verschiet lag. [de eiser] heeft het voor toewijzing van de vordering benodigde causaal verband onvoldoende onderbouwd.
5.29.
Er bestaat wel een grond om de kosten die vergoed zijn voor het voeren van de procedure tegen het UWV over de loongarantieregeling aan het kostenmaximum in het dossier waar het hier over gaat toe te voegen. Het gaat om een bedrag van € 2.420,00. De grondslag is erin gelegen dat de oorzaak van dit geschil niet hetzelfde is als of samenhangt met de betaling van het bonusloon tijdens ziekte en deze grondslag is juist. De procedure tegen het UWV zag immers op een juiste uitbetaling van de resterende vakantiedagen in het kader van de loongarantieregeling. Omdat hier het UWV en niet de werkgever onjuist handelde is geen sprake van één gebeurtenis of samenhang. De externe kosten van deze procedure zijn ten onrechte in mindering gebracht op het kostenmaximum.
5.30.
Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [de eiser] toewijsbaar is tot een bedrag van € 2.420,00. De rest wordt afgewezen.
Vordering VI: vordering ter zake inkomstenderving
Standpunten van partijen
5.31.
[de eiser] baseert haar vordering ter zake inkomstenderving op de grondslag onrechtmatige daad. Het bedrag is gebaseerd op het verschil tussen het maandsalaris voor arbeidsongeschiktheid en de hoogte van de WIA-uitkering. Er is sprake van een ‘
foutenfestival’ door SAR . Vijf procedures hadden voorkomen kunnen worden als SAR geen beroepsfout had gemaakt. [de eiser] had dan tijd gehad om te kunnen werken aan een terugkeer op de arbeidsmarkt. Nu werd zij door het handelen van SAR gedwongen om haar tijd steken in het voeren van klachtprocedures en het onderhouden van veelvuldige contacten met SAR . SAR heeft bovendien ontoelaatbaar contact gehad met [naam 4] . Als dit contact niet had plaatsgevonden of als SAR transparant was geweest over de inhoud van het contract was het vertrouwen van [de eiser] in de procedure bij [naam 4] niet geschaad. Dan had zij in plaats van een procedure bij de rechtbank een kosteloze procedure bij [naam 4] kunnen voeren.
5.32.
SAR voert aan dat uit niets blijkt dat de arbeidsongeschiktheid van [de eiser] is veroorzaakt door SAR , is verergerd door handelen of nalaten van SAR , noch langer voortduurt door handelen of nalaten van SAR . [de eiser] heeft zich ziek gemeld op 30 augustus 2017, toen er nog geen enkel probleem met SAR bestond. SAR is niet tekortgeschoten in enige zorgplicht en heeft niet onrechtmatig gehandeld jegens [de eiser] . Bovendien ontbreekt het causaal verband tussen de gestelde schade en een eventuele tekortkoming of onrechtmatige daad van SAR , aldus SAR .
Het oordeel van de rechtbank
5.33.
[de eiser] verwijt SAR zeer veel fouten te hebben gemaakt: het niet goed communiceren, liegen, gemaakte afspraken niet nakomen, geen regie voeren in zaken, declaraties van externe advocaten niet goed controleren, het kostenmaximum in procedures onjuist vaststellen en onduidelijk communiceren daarover, het maken van een beroepsfout ten aanzien van de bonus (met als gevolg vele andere procedures) en ontoelaatbaar contact met [naam 4] . Dit zogenoemde ‘foutenfestival’ zoals [de eiser] het noemt heeft er volgens [de eiser] toe geleid dat zij werd gedwongen om haar tijd te steken in het voeren van in totaal 41 klachtenprocedures jegens SAR .
5.34.
De rechtbank stelt voorop dat niet iedere steek die SAR heeft laten vallen ook direct kwalificeert als een onrechtmatige daad. Er geldt een zekere drempel om te kunnen spreken van onrechtmatig handelen. Lang niet alle verwijten die [de eiser] stelt aan SAR te kunnen maken halen die drempel, nog los van dat niet kan worden vastgesteld dat alle verwijten terecht zijn.
5.35.
Wat betreft het voeren van regie in zaken en het beoordelen van de omvang van declaraties van externe advocaten rust naar het oordeel van de rechtbank wel een zekere verplichting op SAR . Met SAR is de rechtbank echter eens dat de invulling daarvan slechts marginaal kan zijn, nu de contacten zich (vertrouwelijk) afspelen tussen de verzekerde en de advocaat. Uitschieters moeten opvallen en tot vragen vanuit SAR leiden. Daarin ligt ook een rol voor de verzekerde, onder meer inhoudende het beantwoorden van vragen over de omvang van de declaraties als daar om wordt gevraagd. In het licht van het gemotiveerde verweer van SAR heeft [de eiser] niet genoeg aangevoerd om te kunnen concluderen dat SAR onvoldoende invulling heeft gegeven aan deze taak.
5.36.
[de eiser] heeft in totaal 41 klachten ingediend tegen SAR . Zij voert aan dat 80% van deze klachten gegrond is verklaard, hetgeen al voldoende aan zou tonen dat SAR onrechtmatig heeft gehandeld. SAR heeft op de zitting toegelicht dat indien wordt toegezegd dat een klant op vrijdag wordt teruggebeld maar dat vervolgens pas op maandag gebeurt, een klacht daarover gegrond zal worden verklaard. Ook wordt een klacht volgens SAR gegrond verklaard indien niet kan worden vastgesteld wat er vanuit SAR gecommuniceerd is. Klachten over niet doen wat gezegd is worden in die situatie dus altijd gegrond verklaard. Volgens de rechtbank vormt het handelen van SAR dat ten grondslag ligt aan een dergelijke terecht bevonden klacht nog geen onrechtmatig handelen van SAR jegens [de eiser] . Het percentage van klachten dat gegrond is bevonden zegt dan ook onvoldoende over de vraag of sprake is van onrechtmatig handelen van SAR , laat staan over de daaruit volgende schade.
5.37.
Ook de kwestie [naam 4] levert geen onrechtmatige daad op. SAR heeft aangevoerd dat het enige dat zich heeft voorgedaan is dat [naam 4] contact heeft gezocht met SAR met het verzoek om inhoudelijk verweer te voeren, ook op het punt van onduidelijkheid in de polisvoorwaarden. [de eiser] was daar in haar klacht op in gegaan en SAR had zich aanvankelijk enkel verweerd met de stelling dat klachten over de polisvoorwaarden gericht moesten worden tegen de verzekeraar en niet tegen SAR . [de eiser] heeft dit niet gemotiveerd weersproken. Van ontoelaatbare ‘onderonsjes’ tussen SAR en [naam 4] zoals [de eiser] het noemt is niet gebleken.
5.38.
Hiervoor is al vastgesteld dat SAR een beroepsfout heeft gemaakt door niet tijdig te onderkennen dat [de eiser] tijdens ziekte niet het juiste loon kreeg uitbetaald (zie 5.8). Ook is hiervoor al overwogen dat SAR de van toepassing zijnde kostenmaxima niet in alle zaken juist heeft vastgesteld (zie 5.25 en 5.29). De communicatie daarover had ook beter gekund. De rechtbank vindt het begrijpelijk dat het voor [de eiser] op basis van de vanuit SAR verzonden brieven niet goed duidelijk was welk maximum in een zaak van toepassing was.
5.39.
Met de beroepsfout ten aanzien van de bonus heeft SAR gehandeld in strijd met haar zorgplicht om te handelen als een goed opdrachtnemer en is sprake van een toerekenbare tekortkoming. Voor toewijzing van de gevorderde inkomensschade dient deze schade een gevolg te zijn van de gemaakte fout. De inkomensschade wordt door [de eiser] onderbouwd door de stelling dat indien SAR de beroepsfout niet had gemaakt [de eiser] tijd had gehad om te kunnen werken aan terugkeer op de arbeidsmarkt. [de eiser] vordert het verschil tussen haar maandsalaris voor de arbeidsongeschiktheid en haar WIA-uitkering. SAR heeft onder meer het bestaan van causaal verband tussen haar fout en de gevorderde schade betwist. Het causaal verband tussen deze gestelde inkomensschade en de beroepsfout is naar het oordeel van de rechtbank door [de eiser] onvoldoende onderbouwd. [de eiser] heeft zich ziek gemeld op 30 augustus 2017 en is sindsdien arbeidsongeschikt gebleven. Het verband tussen de ziekte van [de eiser] en de in 2020 ontdekte beroepsfout is niet nader toegelicht. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de beperkte verwijten die SAR kunnen worden gemaakt de oorzaak zijn van de voortdurende arbeidsongeschiktheid van [de eiser] of het verergeren van klachten, voor zover dit al door [de eiser] wordt betoogd in het kader van deze schade. Tenslotte is evenmin voldoende onderbouwd dat de tijd die [de eiser] heeft besteed aan de procedures en aan SAR , voor zover die het gevolg zijn van de beroepsfout en terecht is aangewend, in de weg heeft gestaan aan het kunnen werken aan haar terugkeer op de arbeidsmarkt
5.40.
Op de zitting heeft [de eiser] haar inkomensschade overigens gerelateerd aan de uren die zij heeft moeten besteden aan klachten en de behandeling van haar dossiers, maar dat is geen inkomensschade die voor vergoeding in aanmerking komt.
5.41.
Uit het voorgaande volgt dat vordering tot vergoeding van inkomensschade dient te worden afgewezen.
Vordering VII: immateriële schadevergoeding
Standpunten van partijen
5.42.
[de eiser] vordert een bedrag van € 47.000,00 netto aan immateriële schadevergoeding, bestaande uit een schadevergoeding van € 1.000,00 netto per maand over de periode oktober 2021 tot en met augustus 2025. Zij baseert zich op artikel 6:106 lid 1 onder Pro b BW. [de eiser] lijdt onder andere aan een depressie, een angst- en een paniekstoornis. Door toedoen van SAR ervaart [de eiser] gevoelens van onmacht, stress en spanning. De ontstane situatie is ook ten koste gegaan van de levensvreugde van [de eiser] en haar mogelijkheden om weer deel te nemen aan de arbeidsmarkt. [de eiser] wordt in haar dagelijks functioneren belemmerd. Door de constante spanning waarin zij verkeert door toedoen van SAR heeft [de eiser] fysieke klachten ontwikkeld. Haar herstelproces wordt daardoor bovendien belemmerd en door gevoelens van onmacht gaat [de eiser] soms dissociëren en is zij niet in staat om adequaat op situaties te reageren. [de eiser] verwijst naar de verklaring van haar psycholoog. De aard en de ernst van een normschending brengt wat [de eiser] betreft met zich mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor haar zo zeer voor de hand liggen, dat een aantasting in haar persoon kan en mag worden aangenomen.
5.43.
Van een aantasting van de persoon is geen sprake, aldus SAR . SAR betwist dat handelen of nalaten van SAR het dagelijks functioneren van [de eiser] belemmert, continue spanning oproept bij [de eiser] , fysieke klachten bij [de eiser] heeft veroorzaakt en/of haar herstel belemmert.
Het oordeel van de rechtbank
5.44.
De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van immateriële schadevergoeding af. Uit de door [de eiser] in het geding gebrachte verklaring van haar psycholoog blijkt dat [de eiser] geestelijk letsel heeft in de vorm van onder andere een depressie en angst- en paniekklachten, maar ook dat zij al door haar huisarts is aangemeld in september 2017 en sindsdien wordt behandeld binnen de psychologische praktijk. Op dat moment was er nog geheel geen sprake van een conflict met SAR . [de eiser] heeft dan ook onvoldoende aangetoond dat er psychische schade is ontstaan door handelen of nalaten van SAR , mede gelet op de beperkte verwijten die SAR kunnen worden gemaakt (zie de beoordeling van vordering VI). Van een situatie waarin de aard en ernst van een normschending zodanig is dat een aantasting van de persoon voor de hand ligt is geen sprake. Situaties in de rechtspraak waarin dit is aangenomen (waaronder de welbekende arresten van de Hoge Raad ten aanzien van de Groningse oudejaarsrellen en wrongful life) zijn verre van vergelijkbaar met de situatie van [de eiser] .
Vordering VIII: buitengerechtelijke incassokosten
5.45.
[de eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Bij nadere akte heeft [de eiser] dit bedrag gesteld op € 3.466,25, gebaseerd op toewijzing van de totale vordering van [de eiser] van € 338.250,07. Nog los van het feit dat een groot deel van de vorderingen van [de eiser] wordt afgewezen, geldt dat [de eiser] niet heeft onderbouwd dat er kosten zijn gemaakt die niet vallen onder de instructie van de zaak. Er hebben geen schikkingsonderhandelingen plaatsgevonden tussen partijen. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.
Vordering IX: (werkelijke) proceskosten
5.46.
[de eiser] vordert vergoeding van de werkelijk gemaakte advocaatkosten. [de eiser] heeft een tijdverantwoording van haar advocaat in het geding gebracht, waaruit blijkt dat haar advocaat bijna 89 uur aan de zaak heeft besteed en verwacht dat de uiteindelijke tijdsbesteding uit zal komen op zo’n 104 uur (tegen een uurtarief van € 210,00 in 2023 oplopend tot € 220,00 in 2025). Volgens [de eiser] bestaat er grond om SAR aansprakelijk te houden voor vergoeding van deze kosten. Het vertrouwen van [de eiser] in een (kosteloze) procedure bij [naam 4] is door het ontoelaatbare contact tussen SAR en [naam 4] en het gebrek aan transparantie daarover geschaad. Door het handelen van SAR was een procedure bij [naam 4] geen optie meer en werd [de eiser] genoodzaakt om zich tot de rechter te wenden. SAR voert verweer.
5.47.
Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828) volgt dat een volledige vergoedingsplicht ter zake van proceskosten denkbaar is, maar alleen in buitengewone omstandigheden. Daarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad, waarvan pas sprake is als het instellen van de vordering gelet op de evidente ongegrondheid ervan in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Bij het aannemen van dergelijk misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen past terughoudendheid, gelet op het mede door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. Het voorgaande geldt ook voor een gedaagde, die zich in een procedure tegen de vorderingen van de eiser verdedigt.
5.48.
Uit het feit dat de verweren tegen de vorderingen van [de eiser] voor een (groot) deel slagen volgt al dat de hoge lat van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen niet gehaald wordt. Er is geen sprake van het voeren van een op voorhand kansloos verweer. Uit hetgeen hiervoor is overwogen (rechtsoverweging 5.37) volgt bovendien dat niet valt in te zien dat SAR in de procedure bij [naam 4] onrechtmatig heeft gehandeld. Er bestaat geen grond om de vordering tot vergoeding van werkelijk gemaakte proceskosten toe te wijzen.
5.49.
De rechtbank beslist als volgt ten aanzien van de proceskosten. Beide partijen zijn over en weer in het ongelijk gesteld. Daarom compenseert de rechtbank de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
verklaart [de eiser] niet ontvankelijk in de door haar onder I gevorderde verklaring voor recht,
6.2.
veroordeelt SAR om aan [de eiser] te betalen een bedrag aan schadevergoeding van
€ 21.402,00 netto, onder verwijzing naar het bepaalde in rechtsoverweging 5.9, vermeerderd met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro, telkens te rekenen vanaf de laatste dag van de maand waarover de bonus van die maand betaald had moeten zijn (zie rechtsoverweging 5.9),
6.3.
veroordeelt SAR om in het dossier met [kenmerk 1] voor de procedure tegen de bestuurder van [de voormalige werkgever] een kostenmaximum van € 50.000,00 voor vergoeding van externe kosten ter beschikking te stellen,
6.4.
veroordeelt SAR om in het dossier met [kenmerk 1] een bedrag van
€ 2.420,00 voor vergoeding van externe kosten ter beschikking te stellen,
6.5.
compenseert de proceskosten,
6.6.
verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2025.