Belanghebbende is eigenaar van woningen in twee gemeenten en stond in 2023 ingeschreven op het adres in Schouwen-Duiveland. De heffingsambtenaar legde een aanslag forensenbelasting op omdat werd aangenomen dat belanghebbende geen hoofdverblijf in Schouwen-Duiveland had. Belanghebbende voerde aan dat hij sinds februari 2023 zijn hoofdverblijf in Schouwen-Duiveland had, maar kon dit onvoldoende onderbouwen met bewijs over dat jaar.
De rechtbank oordeelt dat de bewijslast voor het heffen van forensenbelasting in beginsel bij de heffingsambtenaar ligt, maar dat belanghebbende in dit geval de meest gerede partij is om aannemelijk te maken dat hij zijn hoofdverblijf in Schouwen-Duiveland had. Uit zijn eigen verklaringen en overgelegde stukken blijkt dat hij in 2023 nog veelvuldig in zijn oude woning verbleef en gebruikmaakte van medische en andere voorzieningen in die omgeving.
De overgelegde bankafschriften en energierekeningen betreffen vooral 2024 en bieden geen duidelijkheid over 2023. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de woning in de oude gemeente slechts werd aangehouden voor verkoop. Daarom is de aanslag terecht opgelegd en wordt het beroep ongegrond verklaard.